(96) Een achttiende-eeuwse win-win-situatie

Dit jaar wordt in Nederland en de huidige en voormalige overzeese gebiedsdelen herdacht dat tweehonderd jaar geleden de slavernij werd afgeschaft. De rol van Vlissingen in deze praktijken, maar vooral in de slavenhandel was zeer groot. Er is een berekening uit 1769 waaruit blijkt dat de Vlissingse handelaren evenveel slaven vervoerden als de rest van Nederland: in 1767 en 1768 waren er bijvoorbeeld 36  schepen van de West-Indische Compagnie naar de kusten Afrika gevaren om daar slaven op te halen en die te vervoeren naar West-Indië, zoals Zuid-Amerika toen heette. Amsterdam en Rotterdam hadden beide vier schepen, Middelburg tien en Vlissingen achttien. Het totaal aantal slaven was 6.300, waarvan de helft dus door Vlissingers werd vervoerd. Het is dan ook niet toevallig dat het juist een Vlissingse arts was die deze sector hartstochtelijk verdedigde: David Henry Gallandat. Voordat hij zich als arts vestigde, was Gallandat een aantal jaren scheepsarts geweest op de slavenschepen. Hij wist dus waarover hij het had en schreef er in 1669 een baanbrekend wetenschappelijk artikel over.

Gallandat begon zijn verhaal met vast te stellen dat de slavenhandel wellicht als een ongeoorloofde activiteit kon worden gezien, maar dat het financiële voordeel dat de handelaren ervan ondervonden, hen vrijpleitte. Volgens hem bestonden er onder de Afrikaanse volkeren prima wetten die de slavernij al hadden geregeld voordat er sowieso Hollanders en Zeeuwen aan te pas waren gekomen. Zo werden in Guinea de misdadigers die een boete kregen opgelegd en die niet konden betalen, tot slaaf verklaard. Dat gold ook voor anderen, die niets op hun kerfstok hadden, maar wel schulden hadden gemaakt. Deze ongelukkigen werden door de Afrikanen voor eigen gebruik aangewend. De slaven die aan de Europese handelaren werden aangeboden, waren meestal krijgsgevangenen. Gallandat betoogde dat men vroeger tijdens zo'n oorlog de vijand massaal in de pan hakte, maar dat men die nu in leven hield teneinde ze te kunnen verkopen als slaaf. Hij zag dat als een teken van voortschrijdende beschaving en ging verder  met de vaststelling dat de slaven in de koloniën een veel beter leven hadden dan in hun geboorteland. Voor de Afrikaanse landen was daarnaast de handel voordelig omdat ze bevrijd werden van hun misdadigers en wanbetalers en zo een betere samenleving konden worden. Voor de koloniën was het voordelig omdat de slaven veel bekwamer waren in de landbouw dan de blanken en de Amerikanen. De slavenhandel was daarmee volgens de auteur een sector met alleen maar winnaars.

Na deze, op de ethische aspecten van de slavenhandel gerichte overwegingen, volgden de instructies van Gallandat voor de handelaren. Die moesten er goed op letten dat zij op de markten jonge, sterke, onverminkte en gezonde slaven moesten inkopen. Hij  pleitte er daarom voor om de keuringen door ervaren scheepsartsen te laten uitvoeren. Het was de gewoonte van de plaatselijke handelaren om de oudere of zieke slaven vet te mesten, te wassen, te oliën en te scheren, maar ook de grijze haren en baarden zwart te verven. De dienstdoende scheepsarts werd aangeraden om te speuren naar kale plekken op het hoofd, verfresten, huidrimpels en rotte kiezen. Bij vrouwen moesten ze goed letten op de stevigheid van de borsten.

Met de kennis en de ethiek van nu kijken we vreemd aan tegen de overwegingen van de Vlissingse scheepsarts. Toch is het goed om er kennis van te nemen. In de achttiende eeuw waren er weinig mensen die er een andere visie op na hielden, zeker niet in Vlissingen.

Afbeelding: Essequebo in 1779, een van de oorspronkelijk Zeeuwse gebieden in Zuid-Amerika waar de slaven naartoe werden gebracht (Bron: Henemann, C.van, Kaart, van een gedeelte van het Groot-Vlaggen-Eijland in de Rivier Essequebo in het Landschap-Guiana op de vaste-kust van Zuijd-America, 1772, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam)