De eerste vesting Vlissingen

Afbeelding: Gezicht op de gevangentoren vanaf het zuiden
omstreeks 1875 (schilderij van Willem Antonie van
Deventer, Gemeentearchief, Vlissingen)
Op zondagochtend 22 mei 1485 werd Vlissingen overvallen door een roversbende uit de stad Sluis. Het was eerste pinksterdag en veel Vlissingers zaten op dat moment in de kerk. De aanvallers waren met een vloot roeiboten via het Zwin de Schelde overgestoken en geland aan de zuidoostkant, ongeveer waar nu de Commandoweg is. Vlissingen was in dat jaar nog niet zwaar beveiligd en de Sluizenaren konden ongehinderd in de stad komen. Ze staken huizen in brand, drongen de kerk binnen, vermoordden daar de burgemeester Wouter van Domburch en verdwenen met een flinke hoeveelheid kostbaarheden en enkele gijzelaars waarvoor ze later losgeld wilden vragen.

Deze gebeurtenis stond niet op zich zelf. Het was vaker voorgekomen en niet alleen in Vlissingen. “Die van Sluis” vormden in de jaren zeventig van de vijftiende eeuw een ware plaag voor de steden en dorpen langs de kusten van de Zeeuwse eilanden. Moord- en rooftochten waren aan de orde van de dag en men kon er weinig tegen doen omdat de rovers zich verplaatsten in snelle, wendbare roeiboten en dus niet afhankelijk waren van de wind. Ze waren in een mum van tijd terug in Sluis, dat in die dagen wél een sterke vestingstad was. Het met geweld terughalen van de gijzelaars en de gestolen goederen was daarom nagenoeg uitgesloten. Toch zou die eerste pinksterdag in 1485 een keerpunt betekenen in de geschiedenis van Vlissingen. Direct na de gebeurtenissen werd door de waarnemend graaf Maximiliaan van Oostenrijk, de latere keizer van het Heilige Roomse Rijk waartoe ook Zeeland behoorde, besloten om de stad aanzienlijk te versterken teneinde beter bestand te zijn tegen aanvallen van buitenaf. Van deze versterkingen uit ongeveer 1489 is alleen de Gevangentoren bewaard gebleven, althans de fundamenten. De naam kreeg het gebouw pas in 1610 toen het als stadsgevangenis in gebruik werd genomen.

Het bovenstaande roept een aantal vragen op. Wat dreef de Sluizenaren tot hun rooftochten? Waren het wel rooftochten of zat er meer achter? Waarom bekommerde Maximiliaan van Oostenrijk zich speciaal om Vlissingen, terwijl hij ook graaf was van Vlaanderen waartoe Sluis behoorde? En waarom was men niet eerder begonnen met het versterken van de stad? Dat laatste was niet onlogisch geweest gezien het tijdsbeeld waarin roof, moord en oorlogsvoering onderdeel waren van het dagelijks bestaan.

Sluis
Sluis, dat in de eerste halve eeuw van haar bestaan Lammingsvliet heette, had in 1290 stadsrechten gekregen en was daarmee een van de laatste Vlaamse steden die dit recht verwierven. Dat had alles te maken met de ligging van de stad ten opzichte van Brugge, in die tijd een van de grootste en belangrijkste steden van Europa. Brugge lag niet direct aan open water en was afhankelijk van een uitloper van de Schelde, het Zoute, die uitmondde in het Zwin en daardoor een open verbinding had met de zee. In de veertiende eeuw begon dit natuurlijke kanaal van ongeveer twintig kilometer te verzanden en zocht Brugge naar een mogelijkheid om de grotere schepen te ontvangen in een beter toegankelijke haven. En dat werd Sluis. Het Zwin was toen een breed en open vaarwater dat westelijk in de Noordzee uitmondde en oostelijk in de Schelde. Sluis groeide daarna uit tot de belangrijkste militaire haven van het hertogdom Bourgondië, waartoe in de tweede helft van de veertiende eeuw wel Vlaanderen, maar nog niet Holland en Zeeland ten noorden van de Schelde behoorden. De stad was daarom volop betrokken bij de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland. De slag bij Sluis in 1340 had zelfs tot het uitbreken van die oorlog geleid. In 1385 werd de stad verbouwd tot vestingstad en in 1430 vond er zelfs het prestigieuze huwelijk plaats tussen Philips de Goede en Isabella van Portugal die vanaf 1433 ook over het graafschap Zeeland zouden regeren.

Vanaf 1450 raakten Sluis en Brugge verder in verval omdat ook het Zwin steeds ondieper werd en omdat de vele oorlogen van de Bourgondische vorsten de steden hadden uitgeput. Als gevolg daarvan waren opstanden uitgebroken tegen diezelfde heersers. De steden aan de andere kant van de Schelde, waaronder Vlissingen, konden volop profiteren van de economische achteruitgang van Vlaanderen. Daar kwam nog bij dat omstreeks 1480 de aloude strijd tussen de Hoeken en de Kabeljauwen weer was opgelaaid. Gingen deze twisten in de veertiende eeuw vooral over de verdeling van macht en rijkdom, waarbij de Hoeken de aloude plaatselijke adel vertegenwoordigden en de Kabeljauwen het gewone volk dat economisch gezien steeds belangrijker werd, in de tweede helft van de vijftiende eeuw was het accepteren van de centrale macht van de hertogen en graven van Bourgondië het grootste twistpunt. Sluis was een bolwerk van de Hoeken die in opstand waren gekomen tegen Maximiliaan van Oostenrijk. Deze was plaatsvervangend graaf van Vlaanderen, Zeeland en Holland namens zijn pasgeboren zoon Philips de Schone.

Vanuit Sluis werden in de jaren tachtig van die eeuw onder leiding van de Hoekse edelman ‘Jonker’ Frans van Brederode, veld- en rooftochten uitgevoerd om Hollandse en Zeeuwse steden aan de Hoekse kant te krijgen. In 1488 werd zelfs Rotterdam veroverd. Elders waren de Hoeken minder succesvol en in 1489 slaagde Maximiliaan erin om de opstandelingen definitief het zwijgen op te leggen. Dat was mogelijk omdat hij legers vanuit zijn hele rijk, waaronder Duitsland en Oostenrijk, kon mobiliseren om hem terzijde te staan. Frans van Brederode, die toen nog in Rotterdam was, wist te ontkomen en dook onder, waarschijnlijk in de omgeving van Sluis dat nog niet in handen was gevallen van Maximiliaan. Van daaruit wist hij nog een jaar lang de Zeeuwse wateren onveilig te maken. Hij overleed in juli 1490 op vijfentwintigjarige leeftijd aan de verwondingen die hij had opgelopen tijdens de slag om Brouwershaven in dat jaar.

Vlissingen behoorde gedurende deze roerige periode tot de Kabeljauwen en was trouw aan Maximiliaan. Het is niet duidelijk of dit een bewuste keus was van de Vlissingers. Het is aannemelijk dat de economische en militaire belangen van de stad, die vooral wilde groeien in min of meer veilige omstandigheden, samenvielen met die van het grafelijke hof dat vooral wilde afrekenen met de Vlaamse dominantie en opstandigheid. Op de achtergrond zal ook de groeiende macht van het Brabantse Antwerpen een rol hebben gespeeld. Voor Sluis was Vlissingen in ieder geval een vijandige stad en de aanval van 22 mei 1485 had hier zeker mee te maken. Ook zullen de welvaartsverschillen die in de jaren daarvoor waren ontstaan als gevolg van het verschuiven van de handel naar Antwerpen en de Zeeuwse steden, een rol hebben gespeeld. Tenslotte had Sluis geld nodig voor de opstand tegen Maximiliaan en dat was alleen nog maar te vinden aan de andere kant van de Schelde.

Vlissingen
Hoewel de gebeurtenissen van 22 mei 1485 de directe aanleiding waren voor het versterken van de stadswallen van Vlissingen in de jaren daarna, kwamen de ideeën hiervoor niet uit de lucht vallen. Vlissingen stond al vanaf 1433, het jaar dat Zeeland door overerving onderdeel werd van het Bourgondische rijk, in de warme belangstelling van de nieuwe machthebbers en dan vooral van de eerste graaf, Philips de Goede die regeerde van 1433 tot 1467, het jaar van zijn overlijden.  Onder zijn bewind werd zowel de stad als de haven flink uitgebreid en kregen de Vlissingers op 20 april 1444 het recht om belasting te heffen op de tussen Westkapelle en het ten oosten van Vlissingen gelegen Welsinghe aangevoerde haring. Naast deze ‘haringtol’ werd ook bepaald dat de vis alleen maar in Vlissingen mocht worden verkocht. Het geld was bestemd voor het onderhoud aan kaden, havens, bruggen en hoofden. Door deze maatregel kon Vlissingen haar concurrentiepositie vergroten ten opzichte van andere steden en dorpen in de omgeving en uitgroeien tot een van de belangrijkste haringhavens in de graafschappen Zeeland en Vlaanderen. Vanuit Vlissingen werd de vis verhandeld naar andere delen in Europa, waaronder Engeland en de Scandinavische gebieden. De vissersboten namen op de terugreis producten als tarwe, wijn, hop, olie, kolen, pek en teer mee.

Dit alles was een doorn in het oog van de Middelburgers die verschillende keren op audiëntie waren geweest bij Philips om hem ertoe over te halen Vlissingen de haringtol weer af te pakken. Tevergeefs, want de graaf had weinig op met de Middelburgers, een houding die door al zijn opvolgers in de vijftiende eeuw werd gecontinueerd, misschien wel omdat ze in de decennia daarna bleven proberen om de groei van Vlissingen tegen te houden. De welvaart van Middelburg in deze periode, die ondanks alles vele malen groter was dan die van Vlissingen, heeft dus vooral ondanks en zeker niet dankzij de graaf plaatsgevonden. Dat kwam vooral omdat de handel die in Middelburg plaatsvond meer divers was en duurzamer georganiseerd. De stad groeide in de vijftiende eeuw uit tot een centrum van lakenproductie en –handel, maar verwierf ook belangrijke rechten voor onder andere wijn, wol en zout. Daarnaast was Middelburg vooral een stapelhaven waarbij de producten werden opgeslagen en pas van de hand gedaan wanneer de prijzen hoog waren. De stad zou later in die eeuw weer afstappen van deze stapelfunctie omdat de internationale markt erdoor werd verstoord en ze meer konden verdienen aan het heffen van belastingen op de ingevoerde producten, zoals Vlissingen dat deed met haring. De Scheldestad op haar beurt was vooral een thuishaven voor de vissersschepen die goederen in opdracht van anderen vervoerden, waarbij Vlissingen vaak niet eens op de route lag. De inkomsten bestonden dus vooral uit de vervoersopbrengsten van de vissers en niet uit de winst op producten. Dat gold natuurlijk niet voor de haringhandel. De Vlissingers waren zelf de voornaamste leveranciers van haring en hadden daarvoor het tolrecht gekregen. De bedrijfstak kende na 1444 een lange periode van zeer grote bloei, zodanig dat de plaatselijke overheid zich genoodzaakt zag om de markt enigszins te reguleren. Zij deed dit door het instellen van een jaarlijkse periode waarin er niet op haring mocht worden gevist. Deze periode duurde de hele maand oktober. Als compensatie werden de handelaren en de vissers tussen 17 september en 25 november vrijgesteld van het betalen van uitstaande rekeningen aan schuldeisers.

Dat de haringhandel van groot belang was voor de stad blijkt ook uit de richtlijnen die golden voor kerkelijke processies. In die optochten liepen vertegenwoordigers mee van de verschillende ambachtsgilden. De rangorde was waarschijnlijk een afspiegeling van de statusverschillen tussen de gilden. De wagenaars liepen voorop. Zij beschikten over paarden en wagens, moesten zorgen voor het onderhoud aan de wegen en waren de spil in de Vlissingse handelsactiviteiten. Achter de wagenaars liepen de viskopers en de visdrogers en daarachter de op de stad zelf gerichte ambachten zoals bakkers, slagers, timmerlieden, metselaars en kleermakers. De stoet werd afgesloten door de drie min of meer militaire gilden: de kolveniers, de handboogschutters en de kruisboogschutters. Van enige andere bedrijfstak die was gericht op handel of productie van exportartikelen zoals textiel, wijn of bier was geen sprake. Behalve dan de haringhandel. En dat zou kunnen wijzen op een belangrijke weeffout in de toenmalige Vlissingse economie waarvan ook in de daarop volgende eeuwen sprake zou zijn: eenzijdigheid en een structureel gebrek aan op continuïteit gerichte economische inzichten, zoals die in de buurstad Middelburg wel aanwezig waren.

De Vlissingers trokken zich weinig aan van deze weeffout; waarschijnlijk was men zich er niet eens van bewust. De haringhandel bloeide als nooit tevoren, de stad kon zich koesteren in de aandacht van de nieuwe graaf en er werd flink gebouwd en gegraven. Eigenlijk was er sinds de aanleg van de voorhaven, de koopmanshaven en de achterhaven tussen 1304 en 1308 en de bouw van de kerk, het stadhuis, de gevangenis en het gasthuis daarna, weinig meer veranderd in de stad. Wel werd er omstreeks 1410 een Karmelietenklooster gesticht op de markt, vlakbij het stadhuis en de gevangenis, aan de westkant van de havens. Ook het stratenplan zag er in 1433 in grote lijnen hetzelfde uit als dat van een eeuw eerder. Het aantal inwoners in dat jaar zal zeker niet meer zijn geweest dan duizend.
De omvang van de bebouwing en de bevolking nam daarna fors toe door de nieuwe investeringen van Philips de Goede. We moeten ook dat weer in perspectief plaatsen omdat een kleine honderd jaar later, omstreeks 1525, de stad nog steeds niet meer dan ongeveer 2.500 inwoners telde.

Nieuw grondgebied, een nieuwe haven en nieuwe straten
Was de stad tussen ongeveer 1350 en 1433 nauwelijks veranderd, de omgeving van Vlissingen was dat wel. Door de grote stormvloeden in deze periode zag de stad meer dan de helft van haar grondgebied in zee verdwijnen, vooral aan de west- en de zuidoostkant. De stormvloeden troffen niet de bebouwing binnen de stadswallen, maar zorgden er wel voor dat Vlissingen nauwelijks meer grond beschikbaar had voor uitbreiding. De stad werd aan twee kanten omringd door de zee en aan twee kanten door het grondgebied van West-Souburg. Deze ambachtsheerlijkheid was veel ouder dan Vlissingen en beheerste van oudsher de kerkelijke structuur in het zuidelijk deel van Walcheren,  omdat het een van de vijf moederkerken van het eiland binnen haar grenzen had, maar kon niet beschikken over de rechten die een stad als Vlissingen had. De stedelijke belangen wogen zwaarder bij het grafelijke gezag dan die van een dorp en zo kon het gebeuren dat Vlissingen West-Souburgse grond kon annexeren ten behoeve van de eigen groei en welvaart. Dat was al het geval in 1304 toen de eerste havens moesten worden aangelegd, deels op grondgebied van West-Souburg dat ook toen al Vlissingen voor een groot deel omsloot. Omstreeks 1433 moest er weer grond van deze buren worden ingelijfd om een nieuwe haven te kunnen bouwen. Het ging om bijna vijf hectare in het gebied ten zuidoosten van de stad waar tegenwoordig onder andere het Arsenaal, het Arsenaaltheater, de jachthaven, de Nieuwendijk en de Nieuwstraat zijn te vinden. Op de plaats waar nu de jachthaven ligt, werd de nieuwe haven aangelegd. In het verlengde van deze werkzaamheden legde men aan de oostkant scheepshellingen aan, werd de ingang naar zee verbreed en ontstond er een nieuwe buurt tussen de Nieuwstraat en de Sint-Jacobskerk. Tenslotte was er aandacht voor de waterhuishouding. De oude stad grensde in het westen aan de Scheldemond, in het noorden aan het Molenwater, een overblijfsel van de natuurlijke haven van Oud-Vlissingen en in het oosten en zuiden aan een stelsel van watergangen. De watergangen werden voor een groot deel gedempt, om plaats te maken voor straten en huizen. Aan de oostkant werd het Molenwater door middel van een kanaal verbonden met de nieuwe haven zodat de stad waarvan het grondgebied met een kwart was uitgebreid, weer helemaal werd omringd door water. Deze situatie had waarschijnlijk meer te maken met het in de hand kunnen houden van de waterhuishouding en het getij, dan met de verdediging van de stad tegen vijandelijke aanvallen.

Eindelijk een vesting
Een volgende stap was het vervangen van de aan de kanalen grenzende aarden wallen door muren van steen en het bouwen van een aantal toegangspoorten. De graaf en zijn opvolgers waren dat aanvankelijk zeker van plan. Vlissingen was een zeer strategisch gelegen stad aan een van de fronten waarop de Bourgondiërs hun geschillen uitvochten met de Fransen en de Vlaamse steden. De onrust zou na de stadsuitbreidingen alleen nog maar toenemen en het wachten was op plannen en geld om de stad ook daadwerkelijk te versterken.

Dat geld zou er echter de volgende vijftig jaar niet komen om de simpele reden dat de grafelijke schatkist een structureel tekort vertoonde als gevolg van de zeer hoge militaire uitgaven. De kansen van Vlissingen op versterking werden in 1453 nog kleiner dan ze al waren toen Philips besloot om Vlissingen, Westkapelle en Domburg voor zeventien jaar te verpanden aan Hendrik van Borselen, in die tijd heer van Veere en rentmeester van Zeeland. De graaf had geld nodig om de opstandige Vlaamse steden te onderdrukken. Van Borselen betaalde 12.000 kronen. In 1477 zou zijn zoon en opvolger Wolfert van Borselen voor nog eens 5.000 kronen de gebieden permanent in zijn bezit krijgen.

Nu moeten we het bezit van een stad of een gebied niet verwarren met de feitelijke macht die kon worden uitgeoefend. Die lag nog volledig bij de Bourgondische graven. Zij konden dan ook doorgaan met het heffen van tijdelijke belastingen om hun oorlogen te financieren. Dit werd nog schrijnender toen Karel de Stoute, de zoon van Philips de Goede, in 1467 aan de macht kwam en zijn expansiedrift richtte op het oosten van zijn grondgebied waar hij alles in het werk stelde om grote stukken Frankrijk en Duitsland, waaronder Elzas en Lotharingen, aan het rijk toe te voegen. De heren van Vlissingen, achtereenvolgens Hendrik, Wolfert en Anna van Borselen, hadden hierin weinig te zeggen en het zal duidelijk zijn dat er in deze periode geen middelen beschikbaar waren voor het versterken van de stad Vlissingen. De noodzaak hiervan werd steeds duidelijker, zeker na het oplaaien van de Hoekse en Kabeljauwse twisten en de Vlaamse strijd tegen de Bourgondiërs.

Uiteindelijk moest het kalf eerst verdrinken voordat er maatregelen werden genomen. En dat gebeurde na 22 mei 1485, toen de Sluizenaren Vlissingen binnenvielen. Het is niet bekend waar het geld vandaan kwam en waarom het er nu wel was. Feit is dat Anna van Borselen en haar echtgenoot Philips van Bourgondië, bastaardkleinzoon van de vroegere graaf, direct na de gebeurtenissen besloten om Vlissingen te versterken, met de zegen van Maximiliaan van Oostenrijk. De werkzaamheden bestonden uit het vervangen van de aarden wallen door muurwerken, het versterken van de reeds bestaande poorten ten westen en ten oosten van de stad en het bouwen van een geheel nieuwe poort, de Altenapoort op de plaats waar het afwateringskanaal grensde aan de nieuwe haven. Op deze grens werd een dam aangelegd met een pad dat naar de poort leidde.

De cirkel is weer rond
De Gevangentoren is het enige bouwwerk dat nog herinnert aan de werkzaamheden tussen 1485 en 1489. Het was een van de twee torens waarmee de Westpoort werd versterkt, gelegen aan de zeekant. De toren werd naar alle waarschijnlijkheid gebruikt als uitkijk- en geschutspost. De andere deed dienst als opslagplaats voor kruit en lag aan de landzijde.  In 1563 verloor de Westpoort haar functie als stadstoegang omdat even verderop en wat meer landinwaarts de Middelburgse poort werd gebouwd.  In 1610 kreeg het gebouw een functie als stadsgevangenis om in de Franse tijd voor korte tijd weer een militaire bestemming te krijgen. In 1811 werd het hele complex afgebroken, op de Gevangentoren na die een nieuw dak kreeg dat bestand was tegen bommen die vanuit zee naar de stad konden worden geschoten. Dit soort bommen was in 1809 door de Engelsen gebruikt om de Fransen uit de stad te verdrijven. De stad werd voor een groot deel verwoest. De aanvallers bleven slechts kort en de bezetters zouden in datzelfde jaar weer terugkeren.

De Gevangentoren bleef gespaard en kreeg gezelschap van een nieuwe en stadsbeeldbepalende Franse kazerne die pas na de Tweede wereldoorlog zou worden gesloopt. Ook toen ontkwam de toren aan de slopershamer. Waarschijnlijk had de eerdere restauratie in 1894 hiermee te maken. In dat jaar werd ze als oudheidskamer ingericht, een soort historisch museum.  Voor het eerst werd de Gevangentoren als een belangrijk overblijfsel uit de stadsgeschiedenis gezien. Nog maar enkele jaren eerder waren er stemmen opgegaan om de hele boel te slopen teneinde de boulevard helemaal te kunnen inrichten als wandelgebied. In die tijd kon je nog niet om de toren heen. Als compromis werd er een houten brug langs de buitenkant aangelegd zodat wandelaars gewoon konden doorlopen. Na de stormvloed van 1953 gingen er weer stemmen op om te slopen omdat de boulevard versterkt moest worden. Het stadsbestuur wist daar een stokje voor te steken. Na de aanleg van de zware glooiing in de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd ook de Gevangentoren weer aangepakt. Er kwam een verdieping bij en het puntdak, zoals dat er ook was voor 1809, werd gereconstrueerd.
Vanaf 1974 bevat het gebouw een restaurant. In 2008 kreeg de toenmalige ondernemer toestemming om een serre te bouwen aan de zeezijde. Deze werd in 2010 geheel vernieuwd na een korte maar hevige brand in augustus van het jaar daarvoor. Er is nog steeds onduidelijkheid over de oorzaak. Men denkt aan brandstichting. Waarmee de cirkel in historisch opzicht weer rond is.