'Doods en neringloos', Een stadswandeling in 1716

Vlissingen omstreeks 1725, vanuit de zee gezien
(kopergravure met kleur, Gemeentearchief Vlissingen)
(NB: de kaart van de stadswandeling staat onder dit artikel)

In zijn boek Walchersche Arkadia uit 1717 beschreef de Vlissingse predikant, rector en schrijver Mattheus Gargon een “speelreisje” dat zijn hoofdpersonen Izabelle, Floris, Ewoud, Heerman, Hildegonde en Adolf maakten op Walcheren. Zij deden dit met een plezierrijtuig, een “speelwagen” en bezochten een aantal steden en dorpen op het eiland. Soms stapten ze uit hun vervoermiddel om te voet de bezienswaardigheden te kunnen bekijken die ze de moeite waard vonden. Of de tocht ook echt gemaakt is, weten we niet. Wat we wel weten is dat Gargon maar liefst 100 pagina’s gebruikte voor de beschrijving van een wandeling door zijn woonplaats Vlissingen.

Het eerste kwart van de achttiende eeuw was niet de meest welvarende periode in de geschiedenis van Vlissingen. De schrijver van de Walchersche Arkadia liet Hildegonde, een van de reizigers, zelfs zeggen dat Vlissingen zo “doods en neringloos” was dat de stad moest oppassen niet een tweede Arnemuiden te worden. En dat was stevige taal, want het iets verderop gelegen stadje aan de Arne was in de achttiende eeuw geen schim meer van wat het ooit was: een havenstad waar omstreeks 1580 meer schepen aanmeerden dan in de haven van het veel grotere Middelburg. Volgens de Italiaanse reiziger en geschiedschrijver Guicciardini was Arnemuiden toen zelfs het middelpunt van Europa. In de zeventiende eeuw verzandde de haven, werd alle handel overgenomen door Middelburg die ook eigenaar was van het stadje en kwam het economisch leven nagenoeg tot stilstand. En dit zou volgens Hildegonde ook het lot van Vlissingen worden als het zo door ging. We weten inmiddels dat het zo ver niet is gekomen, hetgeen niet wegneemt dat de economie van de Scheldestad omstreeks 1716 wel degelijk in zwaar weer verkeerde.

Kaapvaart, zeeroverij en lorrendraaierij
Vlissingen stond daarin niet alleen. De hele Republiek kende al vanaf 1652 een moeizame economie als gevolg van de toenemende internationale concurrentie, de hoge kosten die gemaakt moesten worden voor de verschillende oorlogen met Engeland, Frankrijk en Duitsland, maar ook door de transitie van de handelsvloot naar een oorlogsvloot, waardoor de schepen alleen maar geld kostten en weinig meer opbrachten. Overigens was de achteruitgang relatief: de meeste andere Europese landen realiseerden een veel grotere groei, waardoor de Republiek waar alles een beetje het zelfde bleef, haar koppositie verloor en een groot aantal landen voor moest laten gaan op de internationale ranglijsten van economische prestaties. Dat er nog geld binnenkwam, was vooral te danken aan de producten die uit de koloniën werden gehaald en aan de slavenhandel.

Dit beeld ging op kleinere schaal ook op voor Vlissingen. Door de eenzijdigheid van de stedelijke economie kwamen de klappen in de Scheldestad echter harder aan dan in andere steden zoals Middelburg. Die eenzijdigheid was er altijd geweest: in de eerste eeuwen van haar bestaan moest Vlissingen het vooral hebben van de visserij en de handel met retourvrachten die de vissersschepen uit andere landen meebrachten. Na het omslagjaar 1572 verdween het grootste deel van de visserij als gevolg van oorlog, zeeroverij en het door klimatologische oorzaken verschuiven van de goede haringgronden naar het noorden van de Noordzee. Daarvoor in de plaats kwam de kaapvaart die legaal was geworden onder Willem van Oranje. Het veroveren van vijandelijke schepen met hun ladingen was voor de Vlissingers zo aantrekkelijk dat in de tweehonderd jaar die zouden volgen, de gehele economie hierop werd afgestemd. Er was echter één nadeel: in tijden van oorlog bloeide de handel, maar in tijden van vrede moest er naar andere bronnen van inkomsten worden gezocht. In de zeventiende eeuw kwam dit nadeel nog niet zo heel duidelijk naar voren omdat er van de 100 jaar maar liefst 70 jaar sprake was van een oorlogssituatie en er altijd wel vijandelijke schepen waren die konden worden gekaapt. Bovendien maakte het voor veel Vlissingse reders en schippers niet uit of de kaapvaart legaal was of niet: de scheidslijnen met de zeeroverij waren vaag en ook in tijden van vrede werd er flink op los geroofd. In het eerste kwart van de achttiende eeuw veranderde dat omdat er minder gewapende conflicten waren waarbij de Republiek was betrokken. De oorlogen die er waren, zoals de Spaanse en Oostenrijkse strijd om de troonsopvolging waaraan ook de Republiek deelnam, hadden niet meer direct het eigen grondgebied als inzet. Vlissingen kon de achteruitgang nog wel enigszins compenseren met de handel op Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Deze driehoekshandel, waarbij de schepen slaven ophaalden in Afrika en verkochten in Amerika en waarbij ze op de terugtocht producten meenamen voor de Europese handel, werd geregisseerd door de West-Indische Compagnie (W.I.C.) die in Middelburg een van haar vijf hoofdkantoren had. Vlissingen was voor de Compagnie een belangrijke havenplaats, ook in de achttiende eeuw. Helaas voor de stad voerden veel Vlissingse reders en schippers deze handel op een illegale wijze uit, dus zonder de regie van de W.I.C.. Het gevolg was dat de stad er zelf veel minder voordeel bij had, omdat de schepen de Vlissingse haven uit veiligheidsoverwegingen vaak links lieten liggen. De winsten werden opgestreken door de Vlissingse reders, waaronder de nazaten van de al in de zeventiende eeuw succesvolle familie Lampsins. Deze illegale handel werd “lorrendraaien” genoemd. De meeste lorrendraaiers in de Republiek van de zeventiende en achttiende eeuw kwamen uit Vlissingen.

“Oudheidbeminnaars”
De wandeling in de Walcherse Arkadia waarbij Hildegonde zei dat Vlissingen “doods en neringloos” was in vergelijking met vroeger jaren, vond waarschijnlijk plaats in 1716, het tweede vredesjaar na de Spaanse Successieoorlog. De kaapvaart was stilgevallen en de zeeroverij en de lorrendraaierij brachten weinig leven in de Vlissingse brouwerij omdat ze ver van huis plaatsvonden. Het stadsbestuur zou in 1717 nog een poging doen om de visserij weer van de grond te trekken door vissers van buiten de stad te halen, veel zou dit niet helpen. De kosten bleken uiteindelijk hoger te zijn dan de opbrengsten: de vissers mochten hun gezinnen meenemen, kregen allerlei belastingvoordelen en konden op hun oude dag rekenen op financiële ondersteuning.

Terug naar Mattheus Gargon, die al op de eerste van de meer dan 800 pagina’s tellende  Arkadia vermeldde dat hij zijn zes hoofdpersonen had verzonnen om de beschrijving van Walcheren in verhaalvorm te kunnen vertellen. Hij bekende dat hij het boek had  geschreven als tijdverdrijf en niet als onderdeel van zijn werk als predikant. Ook vertelde hij wat meer over de reizigers: de geschiedkundige bijdragen kwamen van de twee “oudheidbeminnaars” Heerman en Ewoud en de romantiek was in handen van Floris en Izabelle die iets met elkaar hadden. Aan het eind van deel I vroeg Floris Izabelle, die nog minderjarig was en haar moeder net had verloren, ten huwelijk. Uiteraard gaf zij haar jawoord, zoals dat hoorde in een romantisch werk als de Arkadia. Voor de religieuze kanttekeningen zorgden Hildegonde en Adolf. Gargon was in de eerste plaats predikant en dat moest ook terugkomen in zijn boek over Walcheren, waarin hij vele tientallen religieuze overpeinzingen en stichtelijke liederen verwerkte. De enige echt bestaande persoon was Heerman, waarvoor waarschijnlijk Hermannus van de Putte, eigenaar van de buitenplaats De Griffioen en bevriend met Gargon, model had gestaan. In het boek wordt deze buitenplaats uitvoerig beschreven.

De wandeling vond plaats op een mooie zomerdag. De zes reizigers hadden net West-Souburg bezocht en reden via het kasteel Der Boede, de buitenplaats Lammerenburg en het gehucht Oud-Vlissingen met hun speelwagen tot aan de stadswallen van Vlissingen waar ze via de Middelburgse Poort de stad binnen liepen. Links zagen ze in een inham van een van de bolwerken het grote weeshuis liggen dat in die tijd plaats bood aan 150 “beklaaglijke” wezen. Voor hen lag de binnenstad met de havens. Rechts de stadswallen die aan de zee grensden. Ze klommen op het dichtstbijzijnde bolwerk en genoten van het uitzicht. In noordelijke richting konden ze over het eiland kijken naar Middelburg, de dorpen, de hoven en de heerlijkheden, maar vooral naar het vele groen dat van het Walcheren in de achttiende eeuw een lustoord maakte, een echt Arkadia. Met dit woord beschreven de oude Grieken en Romeinen hun ideale landschappen vol bloemen, fruit, bossen, helder water, vogelzang en eeuwige zomers. Mattheus Gargon, die in 1661 was geboren in Haarlem en pas sinds 1702 op Walcheren woonde, eerst in Serooskerke en vanaf 1707 in Vlissingen, had veel op met het eiland! Het gezelschap kon vanaf deze hoge positie ook het Molenwater overzien dat via een ondergronds kanaaltje in verbinding stond met de havens in de binnenstad en dus ook met de zee waardoor de getijdenstroom kon zorgen voor de aandrijving van de zaagmolen die op de stadswal stond. Die zelfde stroom zorgde er ook twee keer per dag voor dat de havens werden doorgespoeld. Zuidwaarts zagen ze de binnenstad en dat leverde een indrukwekkend beeld op, vooral door de vele torens van de kerken, het stadhuis en andere belangrijke gebouwen, afgewisseld met de masten van schepen die in de havens waren afgemeerd. En dat zouden ze nu allemaal gaan bezoeken! De zes klommen snel weer naar beneden en vervolgden via de Westdijk, het pad dat onderlangs de wallen liep, hun wandeling. Ze kwamen langs de twee torens van de vroegere Westpoort die in de tweede helft van de zestiende eeuw haar functie als stadstoegang had verloren toen de grens van Vlissingen naar het noorden werd verlegd en de Middelburgse Poort in gebruik werd genomen. De torens van de Westpoort dienden in 1716 nog wel als gevangenis en kruitmagazijn.

“Het konstrijkste gebouw van gansch Zeeland”
Na de Westpoort liepen de wandelaars naar de Leugenaar, een hoek in de stadswal waarop een hoge windmolen stond waar graan werd gemalen. Heerman vertelde dat de wallen in vroeger tijden wit werden geschilderd zodat ze als baken konden dienen voor de passerende schepen die op dat punt heel dicht langs de stad moesten varen om de havens van Vlissingen, Arnemuiden of Middelburg te kunnen bereiken. Op de Leugenaar hadden ze een mooi uitzicht over de monding van de Schelde en de dorpen en steden van Vlaanderen die voor een deel nog op eilandjes of schiereilandjes lagen: Breskens, Groede, Cadzand, Biervliet en Sluis. Volgens Heerman had de Leugenaar haar naam te danken aan de sterke verhalen van het scheepsvolk op de vele schepen die daar in de welvarende jaren voor anker lagen. Toen de zes weer in de richting van de stad keken, werd hun aandacht getrokken door een groot en prachtig gebouw dat boven de huizen uitstak: het stadhuis, in 1594 gebouwd op de puinhopen van het verwoeste karmelietenklooster als kleinere kopie van het stadhuis van het grote en machtige Antwerpen. Volgens Gargon was het gebouw het “konstrijkste van gansch Zeeland”. Zo’n monument moest natuurlijk bezichtigd worden en via de Pleinstraat bereikten ze de Grote Markt waar ze een prachtig uitzicht hadden op het gebouw dat nog mooier en indrukwekkender was dan de voorstelling die ze er van te voren van hadden gemaakt. Ze wezen op het uurwerk en de zonnewijzer op de stadhuistoren, de raampartijen en de “bouwpralen”, het beeldhouwwerk. Heerman loodste hen naar binnen door de grote en zware openslaande deuren en begon aan een uitgebreide rondleiding. Via de trap en de hoofdingang kwamen ze in de belangrijkste zaal: die van de Heeren van Vlissingen waar het stadsbestuur haar vergaderingen hield. Dat bestuur bestond uit de baljuw, twee burgemeesters, negen schepenen, dertien raden, een pensionaris, een secretaris, twee weesheren en twee thesauriers. Ewoud vroeg naar de beroemde fles van Willibrord uit de achtste eeuw die zich in deze zaal bevond. Hij had daarvan gehoord en wilde het relikwie wel eens met eigen ogen zien. Heerman, de oudheidskenner, liep naar een vitrine en liet zijn medewandelaars een in leer gevatte fles zien waarvan werd gezegd dat ze eigendom was van de vroegmiddeleeuwse prediker die ooit op Walcheren was geweest. Heerman maakte er grappen over omdat hij wist dat dit verhaal waarschijnlijk niet waar was en dat de fles pas veel later in het wapen van Vlissingen terecht was gekomen, waarna waarschijnlijk de fabel van Willibrord erbij was verzonnen. Vanuit de vergaderzaal bereikte het gezelschap via een lange wenteltrap het bordes van het stadhuis. Weer genoten ze van het uitzicht op de stad, de havens, de Schelde en Vlaanderen. Op de terugtocht naar beneden passeerden ze de wapenkamer, bezichtigden ze een zaal met schilderijen van de Heeren van Vlissingen en alle stadhouders van het Oranjehuis en vergaapten ze zich aan een aantal rariteiten: een geprepareerde leeuw, een kano met een opgezette wildeman en een kist met tralies waarin voorheen lichtekooien en hellevegen werden opgesloten, publiekelijk tentoongesteld en rondgedraaid tot ze ziek en misselijk waren.

Havens, havens en nog eens havens
Vanaf de Grote Markt liepen ze langs de kelder waar in 1571 het eerste heilig avondmaal van de hervormde kerk illegaal was gevierd en bereikten ze via de Korenmarkt en de Breestraat, de Bierkaai. Daar stonden ze stil voor het oude stadhuis met de naargeestige kerker waar eerst ketters werden gemarteld en waar tijdens de opstand van de Vlissingers tegen de landvoogd Alva in 1572, diens krijgsbouwmeester Don Pacieco was opgesloten in afwachting van zijn terechtstelling aan de galg op 8 april van dat jaar. Aan het eind van de Bierkaai kwamen ze, na het passeren van de Hellebaardierstraat en de Beurs, bij het Westerhoofd, het verst in de zee stekende puntje van Vlissingen. Hier zagen ze weer de steden en dorpen van Vlaanderen liggen, maar ook de zandbanken in de Schelde en het dorp Borssele, genoemd naar het eiland dat tijdens de Allerheiligenvloed van 1532 volledig in zee was verdwenen. Toen ze terugliepen zagen ze drie bruinvissen verschillende keren boven het water uitspringen, in die tijd een vrij normaal beeld, maar voor onze groep weer een extra reden om nog opgewekter hun reis te vervolgen. Terug in de stad wandelden ze langs het Oosters huis, opgericht voor de kooplieden die handel dreven met de Hanzesteden in Holland, Denemarken en Noorwegen. Van daaruit liepen ze over de Beursbrug tussen de Oude Haven en de Voorhaven in de richting van de Vismarkt waar kabeljauw, schelvis en schol te koop werd aangeboden. Een weinig gevarieerd aanbod en waarschijnlijk illustratief voor de malaise waarin ook de visserij in Vlissingen zich bevond. De Vismarkt lag op een kleine landtong, met aan de ene kant de Voorhaven en aan de andere kant de Engelse Haven, die vroeger Nieuwe Haven heette en in 1443 kon worden aangelegd dankzij de steun van Philips de Goede. De wandeltocht werd vervolgd over de Nieuwendijk die de kade vormde van de Engelse haven. Aan de overkant waren een paar scheepstimmerwerven gevestigd. Ze passeerden het begin van de Walstraat, de langste en belangrijkste straat van Vlissingen die vroeger stadswal was geweest en na de aanleg omstreeks 1600 van een compleet nieuw stadsdeel in het oosten, als doorgaande weg de stad van noord naar zuid doorsneed. Via de Zeilmarkt kwamen ze bij de Pottenkade, een haven waar aan de zuidkant het Prinsenhuis en het Arsenaal waren te zien. Het eerste was in 1582 gebouwd in opdracht van Willem van Oranje op de fundamenten van de nooit gerealiseerde citadel van Alva en had later gediend als onderkomen voor zijn weduwe Louise de Colignon, maar ook voor de graaf van Leicester en de andere Engelse gouverneurs in de periode dat Vlissingen verpand was aan de Engelsen: van 1585 tot 1616. Het Arsenaal was in dezelfde periode gebouwd en diende als opslagplaats voor scheepstuig en -benodigdheden. Beide panden zouden in 1749 door brand worden verwoest. Lopend langs het door de Engelsman Perry ontworpen droogdok uit 1705, bereikten ze de Lange Brug over de Dokhaven die de oude stad verbond met de stadswallen, de stadsgracht en de meest oostelijke toegangspoort van Vlissingen: de Rammekenspoort. De brug over de Dokhaven had een drijfconstructie die met de waterstand mee, naar boven of naar beneden bewoog. Het stukje Vlissingen tussen de Dokhaven en de stadwal was maar smal en onze wandelaars liepen via de Dokkaai en het Waaigat naar een van de bolwerken, waar ze genoten van het uitzicht over het oosten van Walcheren en de Schelde.

Rechts beneden zagen ze de speelwagen al weer klaar staan. De koetsier was zo vriendelijk geweest om de kar van de Middelburgse Poort over het Koopmansvoetpad naar het wagenplein voor de Rammekenspoort te rijden. Ze stapten in, wierpen nog een laatste blik op de stadwal van Vlissingen en sloegen de weg in naar hun volgende bestemming: Middelburg. Maar dat is een ander verhaal.

Wilt u de wandeling van Gargon ook maken? 
Hoewel Vlissingen sinds 1716 verschillende keren zwaar is gebombardeerd en er niet zo heel veel is terug te vinden uit die tijd, is het met behulp van wat fantasie nog goed mogelijk om ongeveer dezelfde wandeling te maken. Dat komt omdat er in het stratenplan van Vlissingen weinig is veranderd sinds het begin van de achttiende eeuw. Veel van de gebouwen die de zes reizigers zagen, zijn er natuurlijk niet meer. Daar staat tegenover dat de vestingwerken aan de zeezijde in 1716 dezelfde loop hadden als Boulevard de Ruyter nu en dat de havens die ze passeerden er op één na (de Pottenkade) nog allemaal zijn. Dit is de route die ze volgden, vertaald naar de tegenwoordige straatnamen:
Het beste kunt u starten bij Cinecity aan de Spuikomweg. Steek de Coosje Buskenstraat over en loop de Spuistraat in. Dan rechtsaf naar de Gasthuisstraat. Die volgt u ongeveer 500 meter, totdat u bij de trap in de Westpoortflat komt. Deze trap komt uit op Boulevard de Ruyer, bij de Gevangentoren. Ga linksaf de Boulevard op en loop door tot aan het Leugenaarshoofd waar het standbeeld van Frans Naerebout staat. Loop terug naar de trap in de Westpoortflat en ga weer naar beneden. Ga rechtsaf de Gasthuisstraat in en neem de eerste straat links: de Westerstraat. Loop alsmaar rechtdoor, totdat u via de Grote markt en de Breestraat op het Bellamypark staat. Ga rechtsaf en loop na het Beursgebouw de oprit op, naar het standbeeld van Michiel de Ruyter. Keer  terug naar het Beursgebouw en sla rechtsaf de Nieuwendijk op. Loop naar de Zeilmarkt en dan linksaf, via de Wilhelminastraat, naar het dokje van Perry. Ga rechtsaf de Houtkade op, richting de Koningsbrug. Aan het eind van de brug bent u aangekomen op het punt waar Gargon zijn hoofdrolspelers door de Rammekenspoort liet lopen om weer te kunnen instappen in de speelwagen en hun weg te vervolgen naar Middelburg. 

Plattegrond van Vlissingen uit 1750. Deze kaart geeft grotendeels de situatie aan zoals die was in 1716, het jaar van de wandeling. De witte lijn is de route van de wandeling. (Bron: Gemeentearchief Vlissingen, Historisch Topografische atlas, nr. 1713. NB: de witte lijn is door de auteur van dit artikel aangebracht)