Een modern droogdok voor een moderne haven

Het dok van Perry in internationaal perspectief

Model van het Dok van Perry
(model, Rijksmuseum, Amsterdam) 
In Vlissingen wordt al sinds mensenheugenis gebouwd, gebroken, opnieuw gebouwd, weer gebroken en weer opnieuw gebouwd. Ook in het huidige tijdsgewricht. Complete stadsdelen worden met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor nieuwe complete stadsdelen die waarschijnlijk over een halve eeuw hetzelfde lot te wachten staat. Het heeft Vlissingen in de loop der eeuwen geen vooraanstaande plaats bezorgd op de lijst met meest monumentale steden van Nederland, maar heeft wel veel dynamiek gebracht. Of alle plannen kunnen worden opgeborgen in het dossier ‘Wijze besluiten’, zal de geschiedenis leren. Positief is in ieder geval dat er de laatste jaren een verplichting is om tijdens en na de sloop eerst te kijken of er nog iets van de geschiedenis van de stad is terug te vinden. Dat levert veel moois op en leidt er zelfs toe dat er restanten van het oude Vlissingen in hun oorspronkelijke glorie worden hersteld. Dat zal niet zo zijn met de zestiende-eeuwse straat die eerder dit jaar onder de Breewaterstraat en de Slijkstraat werd ontdekt. De huizen liggen te diep en op de betreffende grond moeten nieuwbouwprojecten verrijzen. Een glansrijker rol is weggelegd voor een andere opgraving: het Dok van Perry.

Over dit dokje, dat als het oudste droogdok van Nederland wordt beschouwd, is al vaak en soms zelfs uitputtend geschreven. We weten veel over de bouw tussen 1704 en 1705, de financiering, het gebruik in de eerste helft van de achttiende eeuw, het in verval raken daarna, de restauratie in de negentiende eeuw en het compleet onder de grond schoffelen in de jaren zeventig van de vorige eeuw omdat de N.V. Koninklijke Maatschappij ‘De Schelde’ het terrein wilde gaan gebruiken voor het bouwen van een staalloods. Omdat het dok kort daarvoor op de monumentenlijst was geplaatst, kon het niet worden afgebroken en was dempen een maatschappelijk compromis waarmee iedereen een beetje kon leven.

In dit artikel zal ik deze feiten niet nog een keer aan uw nieuwsgierigheid prijsgeven. De afsluitende literatuurlijst bevat een aantal verwijzingen naar boeken, artikelen en websites waarmee u goed uit de voeten kunt wanneer u écht alles wilt weten. Ik beperk mij in het onderstaande tot het schetsen van de nationale en internationale omstandigheden in de tweede helft van de zeventiende eeuw waarin Vlissingen uiteindelijk haar dok kreeg. Ook probeer ik antwoord te geven op de vragen waarom het dok in Vlissingen terechtkwam en waarom het door een Engelsman moest worden gebouwd. Het was toch Nederland dat over een internationale faam beschikte op het gebied van scheeps- en havenbouw. Of wordt dat doorgaans overdreven en waren er nog meer landen die het minstens zo goed deden?

Engeland: vriend, vijand, vriend
De plannen voor de bouw van een droogdok in Vlissingen en de uiteindelijke realisatie ervan, kunnen niet los worden gezien van de internationale verhoudingen in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Die verhoudingen waren overigens veel minder complex dan tegenwoordig, om het simpele feit dat er slechts een handjevol landen was dat de economische en politieke agenda van die dagen bepaalde. De rest van de wereld was gekolonialiseerd, niet interessant voor de internationale handel, hermetisch afgesloten of gewoon nog niet ontdekt. Engeland, Frankrijk en onze eigen Republiek waren de belangrijkste spelers. Spanje en Portugal waren op hun retour en de Duitsers hadden het in die tijd nog te druk met zichzelf. De Republiek was in de eerste helft van de zeventiende eeuw ongekend welvarend geworden dankzij de wereldwijde handel over zee, waarin een dominante positie werd ingenomen. Dat kwam door de open ligging aan zee en het enorme achterland, maar ook omdat er weinig belemmeringen waren om handel te drijven. Rond 1650 kwam in deze situatie verandering door toedoen van Engeland. Daar was in 1649, na een burgeroorlog, het koningshuis afgeschaft en vervangen door een dictatuur onder leiding van de landvoogd Oliver Cromwell. Deze vond de economische ontwikkeling van Engeland zijn belangrijkste agendapunt en had geprobeerd om de Republiek te betrekken bij het Gemenebest om zo een machtsblok te kunnen vormen. In de Republiek hadden in die jaren de regenten van de Staten van Holland het voor het zeggen omdat er na het overlijden van Stadhouder Willem II in 1650 nog geen geschikte opvolger was. Zijn zoon, de latere Willem III, was een paar dagen na zijn dood geboren. De regenten zagen niets in een samengaan met Engeland en riepen daarmee impliciet de eerste twee Engels-Nederlandse oorlogen over zich af omdat Cromwell direct na de afwijzing een wet kreeg aangenomen die niet-Engelse schepen verbood om goederen van buiten Europa naar hun land te vervoeren: de ‘Act of Navigation’.

Vanaf dat moment moest de Republiek zich, naast het in stand houden van de overgebleven handel, vooral gaan bezighouden met het bouwen van oorlogsschepen. Onder leiding van raadspensionaris Johan de Witt werd dit voortvarend aangepakt. Het zal duidelijk zijn dat de middelen die hiervoor werden vrijgemaakt, niet konden worden gebruikt voor het vergroten van de handelsvloot en het ontdekken en onderwerpen van nieuwe overzeese gebieden. Je kunt gerust stellen dat in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw oorlogsvoering op zee de belangrijkste activiteit werd van de Republiek. Met wisselend succes: de eerste oorlog tegen de Engelsen (1652-1654) werd verloren, de tweede (1665-1667) gewonnen, onder meer dankzij de succesvolle tocht naar Chatham onder leiding van admiraal Michiel de Ruyter.  De derde (1672-1674) kende alleen maar verliezers of – zo u wilt - winnaars omdat er meerdere landen aan meededen en niemand echt de eindoverwinning kon claimen. In deze oorlog werkten de Engelsen nauw samen met de Fransen, omdat die bereid waren om na de overwinning het eiland Walcheren en de hele Scheldemond af te staan. Omdat de oorlog een onduidelijke afloop had, kwam hiervan niets terecht, bleef de republiek zelfstandig en kantelden de internationale verhoudingen. Frankrijk ontpopte zich als een agressieve natie die meer op uitbreiding van haar territorium uit was dan op economische samenwerking. Het land werd daardoor een gemeenschappelijke vijand van de Republiek én Engeland. De laatste had inmiddels de heerschappij over de wereldzeeën te pakken en was gebaat bij een sterke bondgenoot. En dat was de Republiek nog steeds, met haar vele koloniën en haar positie als de belangrijkste toegangspoort tot het Europese achterland.

Familie
Er was nog een reden waarom de twee wereldmachten naar elkaar toe groeiden. Engeland was in 1674 al weer enige tijd een koninkrijk. Cromwell was in 1658 gestorven en zijn zoon Richard bleek een zwakke persoonlijkheid die niet in staat werd geacht het land te besturen. Het Engelse parlement kon daarom in 1660 het koninkrijk in ere herstellen, met Karel II als eerste koning, in 1685 opgevolgd door zijn broer Jacobus II. Beide broers waren Stuarts, het geslacht dat, voordat Cromwell hen in 1649 aan de kant zette, al een halve eeuw aan de macht was. De Stuarts vluchtten naar Frankrijk, maar ook naar de Republiek waar ze familie hadden omdat Stadhouder Willem II was getrouwd met Maria Henriëtte Stuart, de zus van Karel II. Gedurende hun ballingschap werden de Stuarts financieel ondersteund door de aanhangers van de Oranjes. Omdat de Republiek pas in 1672 weer onder leiding zou komen van een Oranje, stadhouder Willem III, hadden de eerste twee Engels-Nederlandse oorlogen geen direct effect op de familiebanden. De derde had dat wel, omdat in de Republiek inmiddels Willem III aan de macht was en in Engeland nog steeds Karel II. Het zal duidelijk zijn dat de oorlog niet bepaald tot betere familiebanden heeft geleid, hetgeen veertien jaar later zou blijken.

Toch betekende het eind van deze oorlog, het begin van een vernieuwde militaire en economische samenwerking tussen de Engelsen en de Republiek, die in 1688 zelfs tot eenwording leidde toen Willem III, in 1677 getrouwd met zijn nicht Mary Stuart, een staatsgreep pleegde.  Hij verdreef zijn katholieke schoonvader, Jacobus II, naar Frankrijk en werd, met steun van het Engelse parlement, op de troon gezet. Deze gebeurtenissen staan bekend als de ‘Glorious Revolution’. In die jaren was, net als in de Republiek, de protestantse lobby in Engeland, Schotland en Ierland zeer machtig en hun strijd met de katholieken bloedig. Deze tegenstellingen zouden later, in de twintigste eeuw, ook aan de basis liggen van het conflict in Noord-Ierland waar nu nog steeds ieder jaar een niet geheel van agressie gespeende oranjemars wordt gehouden door de protestanten.

Gedurende de regering van stadhouder-koning Willem III over Engeland en de Republiek, die tot  zijn dood in 1702 zou duren, werd er op meerdere gebieden nauw samengewerkt. Het meest zichtbaar was dat in het leger van de Republiek waar Engelse commandanten meer regel dan uitzondering waren. John Churchill, een voorvader van Winston Churchill, schopte het zelfs tot hoogste baas toen hij in 1701 werd benoemd als luitenant-kapitein-generaal van het gezamenlijke leger dat de Fransen nederlaag op nederlaag toebracht. Een detail, maar tekenend voor de relatie tussen de twee landen was de onthoofding op 28 januari 1697 in Londen van de Engelse generaal-majoor Sir John Fenwick, wegens samenzwering tegen Willem III.

Scheeps- en havenbouw
Samenwerking was er ook op het gebied van de scheeps- en havenbouw, waar beide landen gebruik maakten van elkaars expertise. De opdracht voor het ontwerpen van een droogdok in Vlissingen moet ook in dit licht worden gezien. De Engelsen hadden al eeuwen ervaring met dit soort dokken. Koning Hendrik VII liet er een bouwen in 1495, in Portsmouth, ruim tweehonderd jaar voordat het eerste exemplaar voor de republiek werd ontworpen. De ontwerper die door de Vlissingers werd aangetrokken, de gewezen marineman John Perry, had al een droogdok op zijn naam staan: ook in Porthmouth, gebouwd in 1691.  Hij had hierbij een tweetal eigen uitvindingen toegepast die voor die tijd als innovatief werden gezien: verbeteringen aan de sluisdeuren en aan het mechaniek dat het water uit het dok pompte. In de Republiek was deze ervaring en deskundigheid veel minder aanwezig, dus was het logisch en verstandig om deze ingenieur uit te nodigen om een soortgelijk dok voor Vlissingen te ontwerpen. John Perry was ook een van de mensen die korte tijd later door tsaar Peter de Grote naar Rusland werd gehaald om daar grote infrastructurele werken te gaan ontwerpen en begeleiden. We kennen de leergierigheid van deze tsaar, die in de Zaanstreek veel heeft geleerd over de scheepsbouw aldaar. Het naar Rusland halen van de Engelse ingenieur Perry in 1698 toont aan dat de tsaar verder keek dan alleen de grenzen van de Republiek. Het laat ook zien dat Perry in Vlissingen alleen voor het ontwerp heeft gezorgd en verder niet bij de bouw werd betrokken. Toen in 1704 eindelijk kon worden gestart met de werkzaamheden, zat hij al zes jaar in Rusland. De opdracht voor het uitvoerende werk in Vlissingen was uitbesteed aan lokale ambachtslieden.

Vlissingen
Resteert de vraag waarom het eerste droogdok van Nederland in Vlissingen terecht is gekomen en niet in bijvoorbeeld Middelburg, Rotterdam of Amsterdam. Ook hier is het antwoord meerledig. In de eerste plaats was Vlissingen in die jaren vooral een havenstad en niet een stad waar scheepswerven een grote rol speelden.  Hoewel er wel degelijk schepen werden gebouwd, werden de grote opdrachten aan werven in andere steden gegund. Het was vooral de Zaanstreek waar de scheepsbouw een grote vlucht kon nemen omdat het vlak bij Amsterdam lag, de belangrijkste stad in de Republiek. Op de VOC-werf in Middelburg werden nog wel grote schepen gebouwd, maar andere Zeeuwse steden als Vlissingen, Arnemuiden en Zierikzee moesten het doen met exemplaren die waren bestemd voor de vrachtvaart en de visserij. Zeeland had in die jaren niet alleen te maken met de economische terugval van de Republiek, maar ook met het snelle verval van Antwerpen waardoor de wereldhandel zich steeds meer op Amsterdam en omgeving ging richten. De Zeeuwse steden hadden daarnaast het nadeel dat ze veel dichter bij de grenzen van het vijandige Frankrijk lagen dan de Hollandse steden.

Zeeland, en dat gold vooral voor Vlissingen, kende wel het grote voordeel dat het militair-strategisch een goede ligging had. Het was niet voor niets dat Engeland in 1672 de Fransen steunde met de afspraak dat ze als beloning hiervoor de controle over de Scheldemond en het eiland Walcheren zouden krijgen. Ook de prinsen van Oranje zagen al vroeg het strategisch belang van Vlissingen als marinehaven. Willem van Oranje kocht om deze reden, en omdat hij hiermee ook een stem kreeg in de Staten van Zeeland, in 1581 voor 24.500 gulden het markizaat van Veere en Vlissingen.

Een modern droogdok voor een moderne haven
Op last van Maurits en later Willem III, die zich ook markies van Vlissingen mochten noemen, zouden in de zeventiende eeuw flinke investeringen worden gedaan in de haven die op het eind van de zeventiende eeuw de best uitgeruste van de hele republiek was. Het onderhoud aan de schepen speelde daarin een grote rol. Al in 1614 had de stad de beschikking over een gewoon dok: de Ooster- of Dokhaven die in de loop van de zeventiende eeuw nog een paar keer zou worden uitgebreid en uitgediept om de steeds grotere schepen te kunnen ontvangen. Vlissingen groeide daarom in de loop van de zeventiende eeuw tot de belangrijkste marinehaven van de Zeeland en een van de belangrijkste van de Republiek die, zoals we al zagen, het voeren van oorlog op zee als een van haar voornaamste taken beschouwde. Gedurende de regering van stadhouder-koning Willem III gold dit ook voor de Engelse zeemacht die uiteindelijk toch de controle over de Scheldemond en de haven van Vlissingen in handen had gekregen.

Het was daarom niet meer dan logisch dat een dergelijke belangrijke en goed uitgeruste marinehaven ook een modern droogdok moest krijgen. En dat kwam uit Engeland.