Een Zeeburg tegen wil en dank

De verovering van Fort Rammekens op 5 augustus 1573
(ets van Frans Hogenberg, Rijksmuseum, Amsterdam)
Op 30 juli 1573 trok een groep zwaarbewapende Vlissingers naar Arnemuiden. Vanuit Veere deed een groep bondgenoten hetzelfde. Het dorp was op dat moment nog in handen van de Spanjaarden en moest bevrijd worden voordat de aandacht kon worden gericht op het rijke en machtige Middelburg dat nog volledig Spaans was. Dit kwam vooral omdat de bevolking daar niet veel op had met de volkse en ruwe opstandelingen die in hun ogen iedere vorm van beschaving misten en zich bovendien hadden afgekeerd van het enige ware geloof: dat van de Heilige Roomse kerk.

Walcheren was in dat jaar een van de belangrijkste strijdtonelen van de toen nog jonge oorlog die in totaal tachtig jaar zou gaan duren. Het eiland was door de opstandelingen voor een deel onder water gezet teneinde de bewegingsvrijheid van de vijand zoveel mogelijk te kunnen inperken. Dat was gelukt: de Spaanse soldaten zaten opgesloten in Middelburg, Arnemuiden en Fort Rammekens, toen De Zeeburg geheten . Het lukte de Spanjaarden af en toe wel om deze bolwerken vanuit zee te bereiken en dat was de enige reden waarom ze het al meer dan een jaar uithielden tegen de steeds grotere militaire druk van de Vlissingers en de Verenaren, die werden gesteund door de watergeuzen van Willem van Oranje. Het was daarom logisch dat ze niet als eerste het zwaar beveiligde Middelburg aanvielen, maar het kleine onbeschermde Arnemuiden dat nooit stadsrechten had gekregen en daarom ook geen muren had kunnen bouwen. Het dorp had van oudsher al een veel betere ligging aan zee dan Middelburg en vormde daarom een voortdurende bedreiging voor de handel van de rijke en machtige stad die ook iedere poging tot groei onmiddellijk in de kiem smoorde. De Arnemuidenaren hadden dan ook weinig op met hun buren. Ook de Spanjaarden wisten dat een aanval op het dorp grote steun zou krijgen van de bevolking. Voor hen was Arnemuiden door haar ligging een belangrijk onderdeel in de verdedigingslinie van Middelburg en ze wilden er alles aan doen om de vechtlustige Vlissingers en Verenaren tegen te houden.

En dat was nu net waarop was gehoopt. Toen de Spanjaarden lucht kregen van de op handen zijnde aanval, mobiliseerden ze hun manschappen op het eiland. De meeste daarvan waren gelegerd in Fort Rammekens. Op zeventig soldaten na vertrok de hele bezetting, inclusief de commandant en de medische staf, in de richting van Arnemuiden waar ze dachten in een veldslag terecht te komen met de belagers van het dorp. Deze waren echter alweer vertrokken, naar Fort Rammekens dat nu makkelijk kon worden belegerd omdat er bijna niemand meer was om het te verdedigen. Tegelijkertijd sneden ze de weg af voor de Spanjaarden, die in de gaten hadden gekregen dat ze om de tuin waren geleid en tevergeefs probeerden terug te keren. De belegering duurde daarom maar een paar dagen en op 5 augustus 1573 gaf de luitenant, de hoogste in rang nu de commandant niet meer aanwezig was, zich over. Hij was zelf bij de beschietingen door de arm geschoten en had dringend medische hulp nodig die er niet was, omdat de wondheler ook naar Arnemuiden was vertrokken. Hij kreeg, samen met zijn manschappen, een vrijgeleide naar Middelburg en het fort was nu van Vlissingen en Veere die al sinds de vijftiende eeuw tot het zelfde markizaat behoorden.
Vanaf dat moment is de geschiedenis van Fort Rammekens voor Vlissingen niet meer zo heel interessant. Natuurlijk, de verovering van het fort werd gezien als een van de belangrijkste mijlpalen in de opstand van Willem van Oranje tegen de Spanjaarden. Zeker omdat hij gedurende het jaar daarvoor alleen maar tegenslagen kende en geen enkele vooruitgang had geboekt. Nog maar drie weken voor de verovering van Fort Rammekens was de voor Oranje zeer belangrijke stad Haarlem in handen gevallen van de Spanjaarden die daar meer dan tweeduizend opstandelingen hadden opgehangen of onthoofd. De losse hoofden van de slachtoffers zouden zelfs als projectiel zijn gebruikt om het laatste restje verzet te breken. Het is daarom op zijn zachtst gezegd opmerkelijk te noemen dat de Vlissingers, die op de hoogte moeten zijn geweest van de gruweldaden van de Spanjaarden in Haarlem, hun gevangenen ongedeerd naar Middelburg lieten ontkomen. Weliswaar in ruil voor de overgave en de wapenvoorraad, maar toch.

Het meest interessante deel van de rol die Fort Rammekens heeft gespeeld in de geschiedenis van Vlissingen moeten we zoeken in de periode dat het werd gebouwd. Het fort was een bedreiging voor de positie van Vlissingen en haar bewoners keken met gemengde gevoelens naar de komst ervan, zoals ze later, in 1572, ook zouden kijken naar de plannen van de Spaanse landvoogd Alva voor de bouw van een megalomaan kasteel net buiten de stadsgrenzen. Deze geschiedenis kennen we: voordat Alva goed en wel met de bouw kon beginnen, hadden de Vlissingers op 6 april 1572 de Spanjaarden uit de stad verdreven en mochten ze een paar jaar later van de nieuwe machthebber Willem van Oranje op de plaats van het kasteel een nieuwe haven aanleggen.

Middelburg
Die kans kreeg Vlissingen niet in 1540, toen Karel V het plan had opgevat om een fort te bouwen langs de belangrijkste toegangsweg over water naar een van zijn lievelingssteden: Middelburg. De stad behoorde destijds tot de belangrijkste handels- en bestuurscentra van zijn wereldrijk, dat het grootste deel van het vaste land van Europa en Midden- en Zuid-Amerika besloeg.

Deze vooraanstaande positie van Middelburg valt alleen te verklaren uit haar geschiedenis die bijna vier eeuwen eerder begon dan die van Vlissingen: omstreeks het jaar 836 toen keizer Lodewijk de Vrome, de zoon van Karel de Grote, het initiatief nam om op Walcheren een drietal burchten aan te leggen teneinde het eiland en haar bewoners te kunnen beschermen tegen de zee en tegen de Noormannen die de Europese kusten teisterden met hun rooftochten. In het noorden van het eiland verrees Domburg, in het zuiden Souburg en in het midden Middelburg. De eerste twee eeuwen ging het waarschijnlijk om niet veel meer dan een vluchtheuvel, omringd door wallen en bebouwd met wat eenvoudige woningen. Na het jaar 1000 veranderde dat en werd de ontwikkeling van Middelburg bepaald door een rode draad van voortdurende sympathieën van keizers, koningen, graven en hertogen. In de elfde en twaalfde eeuw, toen de stad bekend stond onder de naam Mitthelburgensis portus, waaruit blijkt dat er toen al een haven bestond, waren dat vooral de Vlaamse graven. In 1012 was Middelburg de hoofdplaats van een Vlaams bestuursdistrict onder graaf Boudewijn IV. Het oudst bekende privilege dat wijst op stadsrechten dateert uit 1217. Aangenomen wordt echter dat er al veel eerder bepaalde privileges waren. Vanaf 1100 werden er meerdere kloosters en kerken gevestigd, waaronder de abdij. Deze religieuze gebouwen gaven de stad een uitstraling waarover tot ver buiten haar grenzen werd gesproken. Vooral de abdij was belangrijk en invloedrijk. De abt vervulde tal van wereldlijke functies en werd ook door het grafelijke hof serieus genomen.

Middelburg was vooral een Vlaamse stad. Dat blijkt uit de samenstelling van de stadsrechtdocumenten, de architectuur en de immigratie van Vlamingen in die tijd. Het moet ook een komen en gaan zijn geweest van Vlaamse graven en andere hoogwaardigheidbekleders die graag in de stad gezien wilden worden. Middelburg kreeg rechten om te handelen in massagoederen als laken en wijn, die al vroeg in de dertiende eeuw voor veel welvaart zorgden. Voor de goede orde: het dorp Vlissingen bestond toen alleen nog maar uit een parochie met een kerk en een paar huizen waar vissers woonden die met kleine scheepjes via een kreek de Schelde op voeren om dicht bij huis te kunnen vissen.

Toen de Hollandse graven op het eind van de dertiende eeuw steeds meer hun macht lieten gelden over Zeeland en daarmee Middelburg, wist het stadsbestuur precies op tijd de juiste keuze te maken. Als beloning voor deze houding liet de Hollandse graaf Willem II in 1247 het abdijcomplex uitbreiden en gaf hij de stad toestemming om het grondgebied te vergroten van elf hectare naar maar liefst 48 hectare. De graaf werd in de Middelburgse abdij begraven en ligt er nog steeds. Dit intelligente opportunisme zou ook in de eeuwen daarna een soort tweede natuur blijven van de Middelburgers. Toen de Vlaamsgezinde lokale Zeeuwse adel in 1290 een greep deed naar de macht, steunde de stad de Hollandse graaf Floris V. En met succes, want zijn positie kwam verder niet meer in gevaar. In de strijd, honderd jaar later, tussen graaf Willem V en zijn moeder Margaretha die zou uitgroeien tot de ingewikkelde burgeroorlog tussen de Hoeken en de Kabeljauwen, stonden de Middelburgers achter Willem, die de Kabeljauwen vertegenwoordigde. Deze beloonde de stad in 1406 met het zogenaamde stapelrecht: alle in Walcheren binnengekomen goederen moesten in Middelburg worden gelost en overgeslagen. Tegen betaling uiteraard. Dit stapelrecht heeft de stad geen windeieren gelegd. Kort daarop kozen de Middelburgers in de grafelijke conflicten tussen Jacoba van Beieren, Jan van Beieren en Philips de Goede eerst de kant van Jan en later van Philips. En opnieuw met succes. Beide werden op grootse wijze ingehuldigd in de abdijstad. De uiteindelijke keuze voor Philips de Goede heeft Middelburg in de decennia daarna veel voordelen opgeleverd. De stad kende een periode van grote groei en wist dit te handhaven onder de latere graven, die stuk voor stuk konden rekenen op indrukwekkende inhuldigingen en daarvoor maar wat graag de reis naar Middelburg wilden maken. Ook Karel V vormde in de eerste helft van de zestiende eeuw geen uitzondering op deze regel. Voor hem was Middelburg een bijzondere stad die keer op keer kon rekenen op zijn sympathie en steun. Karel was nog wat machtiger dan zijn voorgangers omdat hij van zijn moeder het Spaanse koninkrijk erfde, inclusief de overzeese gebiedsdelen. Hij werd in 1519 zelfs keizer van het gehele Heilige Roomse Rijk en zou dat blijven tot 1556, het jaar van zijn aftreden.  Toen Middelburg in 1561 een bisdom werd, zal de goede relatie met de keizer zeker geen minpunt zijn geweest.

Een betere vriend kon Middelburg zich niet wensen en de contacten tussen de stad en het keizerlijke hof in Brussel moeten zeer intensief zijn geweest, resulterend in een groot aantal voordelen. Zo verordonneerde de keizer dat vreemdelingen zitting konden nemen in het stadsbestuur. Dat was gunstig voor de migratie naar Middelburg en dus voor haar internationale contacten. Ook vestigde hij onder andere de laken- en de wijnstapel in Middelburg dat op deze manier een knooppunt werd van internationale handel: ze werd de poort van Europa. Er was natuurlijk concurrentie van Antwerpen, Bergen-op-Zoom, Brugge en Gent, maar de snelle verbinding met de Noordzee via de rede van Arnemuiden gaf de stad veel voordelen. Op haar beurt legde Middelburg de buitenlandse handelaren in de watten: Duitsers, Schotten, Engelsen, Bretons, Normandiers, Genuezen, Venetianen, Portugezen, Spanjaarden en Scandinaviërs, ze konden allemaal rekenen op gastvrijheid en privileges.
In die tijd maakte de stad zich steeds vaker zorgen om de concurrentie van de dorpen en steden in de buurt, waaronder Arnemuiden en Vlissingen. Met Arnemuiden, dat regelmatig een groter aantal scheepsvrachten per jaar verwerkte dan Middelburg, had men weinig moeite. Het dorp had, ondanks herhaaldelijke verzoeken, nooit stadsrechten gekregen en viel onder het rechtsgebied van Middelburg. Daarnaast hadden de Middelburgers in de loop van de eeuwen zo’n beetje alle grond rondom het dorp opgekocht zodat de Arnemuidenaren niets konden doen zonder eerst Middelburg toestemming te vragen. De problemen met Vlissingen waren groter en van een andere orde. Vlissingen was al een stad vanaf 1315 en had dus rechten waaraan de Middelburgers niet konden tornen. Wel hadden ze in 1441 geprobeerd Vlissingen te kopen, maar dat was mislukt en kort daarop kwam de Scheldestad, samen met Westkapelle en Domburg, in handen van Hendrik van Borsele, wiens gebied vanaf dat jaar Middelburg aan drie kanten omsloot.

Middelburg koos daarom noodgedwongen voor een uitgekiende strategie waarbij de stad zelf steeds toestemming zou krijgen voor het uitvoeren van grote infrastructurele werken en ze tegelijkertijd de Vlissingers kon beletten om hetzelfde te doen. Deze strategie werkte, zoals blijkt uit de gebeurtenissen in de jaren 1540-1550.

Vlissingen 
De Middelburgse haven was in grootte vergelijkbaar met die van Vlissingen maar had het nadeel dat de verbinding met zee moeizaam was: de schepen moesten hun weg vinden over het water van de nauwe en kronkelige Arne, een getijdenkreek die uitmondde in het Sloe, een zijarm van de Schelde. Daar stond tegenover dat Middelburg veel meer verdiende aan haar haven dan Vlissingen, waar behalve de opbrengsten van de visvaart, geen andere stapelhandel gevestigd mocht worden en waar het tot dan toe had ontbroken aan personen die verder keken dan hun eigen economische horizon. Personen waarover Middelburg duidelijk wel altijd kon beschikken. In 1532 kreeg Middelburg toestemming van Karel V om de haven uit te breiden en tegelijkertijd een kanaal te graven naar het Sloe. Deze werken werden al in 1535 voltooid en de stad was klaar voor een nieuwe periode van welvaart. Negen jaar later was het Vlissingen dat het verzoek indiende bij de keizer om een nieuwe haven te mogen graven. De stad was na de uitbreidingen die zij honderd jaar eerder mocht uitvoeren onder Philips de Goede en de aanleg van de vestingwerken in 1489, nauwelijks meer gegroeid. Wel waren er een paar openbare gebouwen bijgekomen die waren gericht op de economie van de stad: de Balans in 1511 en de Beurs in 1540. In 1541 kreeg Vlissingen een nieuwe heer: Maximiliaan van Bourgondië die de plaats innam van zijn vader Adolf. Maximiliaan bekrachtigde nog een keer het in 1444 door Philips de Goede verleende privilege van de haringtol en wilde ten behoeve de vissers een nieuwe haven graven in het oosten van de stad, beginnend bij de poort van Altena in het zuidoosten en eindigend bij de Blauwpoort. Hij was een daadkrachtig bestuurder en liet op 29 september 1545, toen de toestemming van de keizer naar zijn mening te lang op zich liet wachten, de Oude Havendijk alvast doorsteken. Deze dijk lag op de grond waar de nieuwe haven moest komen.

De Middelburgers, die tot dan toe tevreden waren met het uitblijven van een officiële toestemming voor de Vlissingse plannen, reageerden als door een zwerm wespen gestoken en zonden maar liefst drie gecommitteerden naar het hof van de keizer om bezwaar aan te tekenen tegen de werkzaamheden van hun voortvarende buren. Ze beriepen zich op een verbod van Karel V uit 1536 op het graven van havens tussen Arnemuiden en Vlissingen. Het idee voor dit verbod was ongetwijfeld uitgebroed in Middelburg. Op 23 januari 1546 moesten de stadsbestuurders van Vlissingen en Middelburg hun argumenten op papier zetten, waarna de keizer besloot dat Vlissingen weliswaar haar nieuwe haven kon aanleggen, maar dat er alleen maar vissersboten mochten komen. Iedere andere handel was strikt verboden. Tevens moest Vlissingen beloven om geen activiteiten te ontplooien die kooplieden naar de stad zouden kunnen lokken. Het zal duidelijk zijn dat vooral de Middelburgers hiermee tevreden waren. Waarschijnlijk de Vlissingers ook wel een beetje, want zij mochten gaan graven. Het is de vraag of er iemand in de scheldestad was, die besefte dat hiermee alleen de haringhandel werd gestimuleerd en dat de eenzijdigheid van de stadseconomie bleef bestaan.

De nieuwe haven is er uiteindelijk niet gekomen omdat het de stad aan voldoende middelen ontbrak om de plannen tot uitvoering te brengen. Ook bleven de Middelburgers actief in het aandragen van steeds weer nieuwe bezwaren, die natuurlijk door het hof in behandeling genomen moesten worden, waardoor de werkzaamheden weer konden worden uitgesteld.

Fort Rammekens
Wat wel slaagde was in 1447 het plan van Middelburg om een fort te bouwen in de buurt van Vlissingen, op het gebied dat sinds mensenheugenis Rammekens heette en dat grensde aan de Blanckaershouc. Ter hoogte van dit landpunt ging het Sloe over in de Schelde. De diepe vaargeul, waarvan alle schepen gebruik maakten die van en naar de Middelburgse havens voeren, liep vlak onder de kust.

Het fort moest het scheepvaartverkeer beschermen tegen illegale tolheffing en aanvallen van zeerovers en concurrerende steden. Karel V gaf, bij monde van de toenmalige landvoogdes van de Bourgondische Nederlanden Maria van Hongarije, direct toestemming, maar had behalve het belang van Middelburg nog een aantal andere motieven. Zo kon vanuit het fort het scheepvaartverkeer over de Schelde van en naar Antwerpen worden gecontroleerd. Ook dacht Karel een flinke slag te kunnen slaan in de strijd tegen het opkomende protestantisme dat vooral in Vlaanderen en Duitsland sterk was vertegenwoordigd. Daarnaast moesten prestigieuze bouwwerken als het geplande fort zijn macht onderstrepen tegenover vijanden binnen en buiten het rijk waarvan hij keizer was. Met name de groeiende autonomie van de steden en de lokale adel moet voor hem in deze periode een bron van voortdurende zorg zijn geweest.

In 1547 kwam de landvoogdes in naam van de keizer persoonlijk naar Walcheren om opdracht te geven voor de bouw. Ze benoemde een aantal lokale bestuurders als toezichthouders en introduceerde de architect: de Italiaan Donato de Boni die al langer in dienst was van het keizerlijke hof en onder andere de stad Antwerpen had versterkt met verschillende vestingwerken. De bouw werd nog dat zelfde jaar gestart met het uitgraven van de grond waarop het fort moest komen, totdat het zand werd bereikt. Vervolgens werd het gat gevuld met puin dat afkomstig was van kerken en huizen in het verdronken land van Zuid-Beveland. Ook werden oude gebouwen in het land opgekocht en afgebroken. Dat leverde aanzienlijke besparingen op. De kosten werden voor een groot deel bepaald door de arbeidslonen. Er moeten honderden mensen hebben meegewerkt aan de bouw. In 1550 was het fort zelf klaar. Voor de afbouw en de inrichting waren nog eens twee jaar nodig. In 1552 kon het in gebruik worden genomen.

Het complex, het fort en de omringende gracht aan de landzijde, kreeg de vorm van een vierhoek. In de zuidoostelijke hoek, waar het Sloe uitmondde in de Schelde, werd een bastion gebouwd dat gedeeltelijk op het schor stond en dus bij vloed in het water. Op de twee aangrenzende hoeken kwamen halve bastions. Er werd gewerkt met natuursteen en met bakstenen. De muurdikte was minimaal twee meter en op sommige plaatsen zelfs meer dan vier meter. In de flanken en de muren tussen de bastions waren schietgaten aangebracht die niet alleen de zee en het land konden bestrijken, maar ook de gehele buitenkant van het fort zelf. Op het plein, midden in het fort, werden woningen, een kazerne en zelfs een kerk gebouwd. Deze waren een stuk hoger dan de muren en dus van verre te zien. De poort bevond zich in de noord-oostelijke muur en bestaat nog steeds. Het was een van de eerste toepassingen van de Renaissancestijl in de Nederlandse architectuur. Boven de poort werd een man met baard gebeeldhouwd en het jaartal 1547. De poort was met een ophaalbrug verbonden met de toegangsweg.

De totale kosten bedroegen bijna vijftigduizend gulden. Middelburg was de belangrijkste financier: de stad betaalde meer dan de helft van de bouwkosten. De keizer zorgde voor de inrichting, de bevoorrading en de manschappen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er in dezelfde periode ook in opdracht van Karel V werkzaamheden werden verricht aan de vestingwerken in Vlissingen. Het Keizersbolwerk met de nog steeds bestaande Waterpoort werd gebouwd in 1548 en ontworpen door de zelfde architect: Donato de Boni. Daarnaast werd er tussen Vlissingen en Rammekens een zogenaamd blokhuis gebouwd, een versterkt huis dat was bedoeld om de toegangswegen naar de stad en het fort te bewaken. Er konden ook soldaten worden gelegerd en soms werden er gevangenen opgesloten. Tussen Vlissingen en Arnemuiden moeten in de zestiende eeuw meer van dit soort verdedigingswerken hebben gestaan.

Na de bouw
De eerste jaren na de ingebruikname functioneerde het fort zoals het was bedoeld: het bewaakte de toegang tot de havens van Middelburg, maar ook het scheepvaartverkeer van en naar Antwerpen. Voor Vlissingen was deze periode er een van achteruitgang. Er zal niet direct een oorzakelijk verband zijn geweest met het bestaan van het fort, duidelijk is wel dat er bij de landvoogdes en de keizer weinig aandacht meer was voor de stad die nog steeds wachtte op haar nieuwe haven. Nu moet gezegd worden dat er ook in de grotere steden na 1550 steeds minder geld beschikbaar was voor infrastructurele werken. De grote Europese mogendheden Frankrijk, Engeland en het Heilige Roomse Rijk van Karel V, waartoe ook de Nederlanden behoorden, waren verwikkeld in onderlinge oorlogen en dat kostte veel geld. Het gevolg was een zware economisch crisis die de meeste landen aan de rand van het bankroet bracht.

Fort Rammekens, dat onderdeel was van de verdedigingslinie van Karel V profiteerde in zekere zin natuurlijk wel van deze situatie. Tussen 1550 en 1560 werd er regelmatig onderhoud gepleegd en het gebouw zal zeker geen vervallen indruk hebben gemaakt. Dat gold waarschijnlijk ook voor het Keizersbolwerk in Vlissingen waarvandaan in 1556 Karel V zijn laatste reis naar Spanje zou maken. Hij was in 1555 afgetreden. Het gezelschap van de voormalige keizer dat samen met hem zou afreizen bestond uit honderden mensen, familieleden, edelen en krijgsvolk waarvoor alle logeercapaciteit in Vlissingen en omgeving moest worden gebruikt, in afwachting van een gunstige wind. Een deel verbleef in het Souburgse kasteel van Anton van Bourgondië en een deel in Fort Rammekens. Het is niet uitgesloten dat Karel voor of na zijn vertrek uit Vlissingen ook nog in het fort is geweest, dat toch een van de pronkstukken was uit zijn regeringsperiode.

Na het vertrek uit de Nederlanden van Karel in 1556 en dat van zijn zoon en opvolger Philips II in 1559, werd het fort in de jaren zestig van de zestiende eeuw betrokken bij de oorlog die Willem van Oranje in 1568 was begonnen tegen het repressieve bewind van de Spanjaarden die werden aangevoerd door de nieuwe landvoogd Don Fernando Álvarez de Toledo, beter bekend als de hertog van Alva. Het zal duidelijk zijn dat Fort Rammekens in die jaren een volle bezetting kende van manschappen en oorlogsmaterieel. Spaans uiteraard. Dat was ook nog zo in 1572, het jaar dat Vlissingen zich wist te bevrijden van de Spanjaarden en zou pas veranderen in 1573 toen de Vlissingers het fort, met behulp van Veere, de watergeuzen en een krijgslist, wisten te veroveren. Na deze overwinning volgde al snel en tot vreugde van de dorpelingen, de overgave van Arnemuiden en, in 1574, die van Middelburg. Arnemuiden werd door Willem van Oranje beloond met stadsrechten, Vlissingen kreeg haar nieuwe haven en Middelburg werd zwaar gestraft met herstelbetalingen en een ingrijpende beperking van haar privileges. De twee grote steden op Walcheren stonden aan het begin van een nieuwe wedloop, met het binnenhalen van zoveel mogelijk lucratieve handel als inzet. Dit keer met gelijke kansen. Zo leek het.

De werkelijkheid was anders. Middelburg herstelde zich sneller dan verwacht. Er was nog voldoende kapitaal, bestuurskennis, intelligentie en opportunisme aanwezig om de wederopbouw efficiënt te kunnen oppakken. De haven kon zo weer worden gebruikt en men had het voordeel van het eerder gegraven kanaal naar het Sloe en de Schelde. Rijke Middelburgers kochten tal van ambachtsheerlijkheden in de omgeving op en onttrokken land aan zee door nieuwe inpolderingen. De stad kon daarnaast optimaal profiteren van het isolement en de uiteindelijke val in 1585 van Antwerpen: dat leverde extra handel op en bovendien groeide de stad door de komst van Vlaamse vluchtelingen die werk en kennis meenamen naar hun nieuwe woonplaats. Ook Vlissingen kende in die periode een flinke welvaartsgroei, die evenwel verbleekte bij die van de buren. De uitstraling en de aantrekkingskracht van Middelburg waren niet verdwenen en nog geen tien jaar na haar val was de stad, na Amsterdam, de op een na belangrijkste van de Republiek. En daarvoor hadden ze niet eens meer de bescherming van fort Rammekens nodig gehad.