Staphorst aan de Schelde

Vier protestantse kerken in Vlissingen omstreeks 1613,
van links naar rechts: de Kleine Kerk, de Groote kerk, de
Nieuwe kerk  en de Middelkerk (schilderij van Hendrick 
Corneliszoon Vroom, Frans Hals Museum, Haarlem)  
In 1658 verscheen er van de Vlissingse apotheker Bartholomeus Reyniersen, gevestigd aan de Korte Noordstraat, een boekwerk met de titel 'Het Cabinet der Godsaligheyt'. Het was een vertaling uit het Engels, maar had zoveel succes dat er in het zelfde jaar al een herdruk verscheen. Collega-vertaler en uitgever Abraham van Laren, die tevens boekverkoper was en zijn nering dreef aan de Kerkstraat, moet goede jaren hebben beleefd met Reyniersen. Ook de twee volgende vertalingen die daar werden uitgegeven, 'Kostelijcke hulp-middelen en raedt tegen des Satans bedriegeryen' en 'Niemand dan Christus', werden keer op keer herdrukt. De boeken van Reyniersen vonden in het streng calvinistische Vlissingen van die jaren gretig aftrek. De meerderheid van de predikanten in de stad hing de beginselen van het puritanisme aan, een van de meest strenge richtingen van het calvinisme, die in Nederland ook wel bekend stond als de Nadere Reformatie. De diensten, die werden gehouden in minstens vier kerken, waaronder de Sint-Jakobskerk, stonden in het teken van deze leer en de Vlissingers geloofden erin. Om een anachronisme te gebruiken: Vlissingen was in de zeventiende eeuw een soort Staphorst aan de Schelde, maar dan strenger.
In de meeste andere steden van Zeeland en zeker die van Holland, was de aanhang minder groot. Sterker nog: het bestaan van dit soort groeperingen had meerdere keren geleid tot reacties van meer liberale predikanten en hun volgelingen die het geloof met meer vrijheid wilden belijden. De bekendste tegenbeweging was die van de Remonstranten in het begin van de zeventiende eeuw. Onder leiding van de Leidse theoloog Arminius wilden zij af van het geloof dat de mens is voorbestemd en niet zijn eigen leven kan bepalen. Zijn collega Gominius initieerde een tegenbeweging, de contraremonstranten, die deze zogenaamde goddelijke predestinatieleer in stand wilden houden. De ruzie leidde in 1619 bijna tot een burgeroorlog in de nog jonge Republiek en werd gewonnen door de contraremonstranten die openlijk werden gesteund door prins Maurits. Zijn politieke tegenspeler, raadspensionaris Johan van Oldebarneveld, steunde de remonstranten en werd mede daarom op 13 mei 1619 in Delft onthoofd.

In Vlissingen werd deze rigoureuze maatregel van Maurits met gejuich ontvangen. De stad was na 6 april 1572, de dag waarop Vlissingen zich als eerste stad had bevrijd van de Spaanse overheersing, altijd zeer oranjegezind geweest en de inwoners hingen in meerderheid de strenge uitgangspunten van de contraremonstrantie aan. In het seculiere Vlissingen van de eenentwintigste eeuw kunnen weinig mensen zich dit nog voorstellen. Het is daarom interessant om te onderzoeken welke factoren van invloed zijn geweest op deze situatie, die nog zeker 200 jaar zou duren. We onderscheiden er zes, in een onderling sterke samenhang: (1) de vluchtelingenstroom vanuit Wallonië, Frankrijk en Vlaanderen zoals die vanaf halverwege de zestiende eeuw op gang kwam, (2) de band tussen Vlissingen en de Oranjes, (3) het Engelse pandschap van 1586 tot 1616, (4) de samenstelling van de bevolking die vooral uit ‘kleyne luyden’ bestond, (5) de commerciële belangen van oorlogssituaties en (6) de haat tegen de rooms-katholieke kerk.

1. De vluchtelingenstroom uit Vlaanderen, Wallonië en Frankrijk
In de jaren zestig van de zestiende eeuw kwam er een vluchtelingenstroom op gang vanuit de zuidelijke Nederlanden: Vlaanderen en Wallonië. Deze vluchtelingen hingen het nieuwe calvinistische geloof aan dat in deze gebieden een veel grotere aanhang had dan in de Noordelijke Nederlanden, inclusief Zeeland, Zeeuws-Vlaanderen uitgezonderd. Ook de strijd van deze groep tegen de rooms-katholieke kerk en de Spaanse overheersing was er veel intenser. De Beeldenstorm van 1566 was begonnen in Vlaanderen, om precies te zijn op 19 februari in het Scheldedorp Baasrode waar een groep calvinistische Antwerpenaren het interieur van de net gebouwde kerk vernielde. In augustus van dat zelfde jaar volgde Steenvoorde en van daaruit verspreidde de terreur zich via West-Vlaanderen naar Antwerpen en in minder heftige mate naar Zeeland en Holland. Het spreekt vanzelf dat de tegenmaatregelen van de Spanjaarden er ook niet om logen, met als gevolg een geweldspiraal die tienduizenden mensen het leven heeft gekost. Veel calvinisten vluchtten naar Zeeland en Holland waar de Spaanse repressie iets minder was dan in het zuiden. In dezelfde periode kwamen er ook nog eens grote groepen Franse calvinisten naar de Noordelijke Nederlanden.

Vlissingen was door haar ligging aan doorgaand vaarwater een belangrijke plaats van aankomst voor de vluchtelingen. Velen bleven er wonen en werken. De stad had omstreeks 1500 een inwonertal van 2.000. In 1600 was dat gegroeid tot 5.000. Het aantal immigranten bedroeg 3.300, bijna het dubbele van het aantal inwoners van de stad in het begin van de eeuw. Aangenomen mag dus worden dat de groei voor het belangrijkste deel werd veroorzaakt door de immigrantenstromen. In de zeventiende eeuw zien we hetzelfde beeld: door de komst van nog eens bijna 4.000 nieuwe poorters groeide de stad naar 7.000 inwoners. In deze getallen zijn ook de emigratie-, geboorte- en sterftecijfers opgenomen. De totale emigratie vanuit het zuiden naar de Republiek bedroeg in deze periode ongeveer 150.000 personen. Procentueel behoorde Vlissingen daarmee tot de steden waar de meeste immigranten zich vestigden. De nadruk van de immigratie lag in het laatste kwart van de zestiende eeuw. Steden van herkomst waren onder andere Brugge, waarvandaan tussen 1575 en 1620, 60 mensen naar Vlissingen vluchtten, Gent (99 vluchtelingen), Oostende (108 vluchtelingen) en Antwerpen (121 vluchtelingen).

Tot ongeveer 1580 werden ze vooral in de stad zelf opgevangen. Er kwamen buiten de stadspoorten nauwelijks nieuwe buurten en straten bij. Wel zal het aantal huizen binnen de beschikbare ruimte wat zijn toegenomen, zoals op de strook land, noordelijk van de Gevangentoren, onderlangs de westelijke zeedijk. Veel meer gebeurde er echter niet. Dit betekende dat de verdubbeling van het inwonertal tussen 1500 en 1580 volledig moest worden opgevangen binnen de bestaande stadsgrenzen. Er werd in deze periode wel volop gebouwd, maar dat betrof voornamelijk de verdedigingswerken van de stad. Vooral onder Maximiliaan van Bourgondië, heer en later markies van Vlissingen en Veere, werd er omstreeks 1550 flink geïnvesteerd in de stadsmuren en de versterkingen aan de zeezijde. Onder andere het Keizersbolwerk dateert uit deze periode. De inwoners van Vlissingen moesten zelf maar uitzoeken hoe ze binnen de beschikbare vierkante meters een bestaan konden opbouwen en hun gezinnen in leven moesten houden. Het moet overvol zijn geweest in de stad en vanuit dit perspectief kunnen we nog beter begrijpen waarom de Vlissingers in 1572 in opstand kwamen, vooral omdat ze ook nog eens verplicht onderdak moesten verlenen aan de vele honderden Spaanse manschappen die er op toezagen dat de Engelsen en de Fransen niet te dichtbij kwamen. Pas omstreeks 1580, dus ruim nadat Vlissingen zichzelf had bevrijd, werd een nieuw stadsdeel gebouwd: aan de oostkant van de stad. De middeleeuwse stadswal werd de Walstraat en er ontstonden veel nieuwe straten, waaronder de nog steeds bestaande Palingstraat en Vlamingstraat. Aan de oostrand van deze wijk werden de Oosterhaven en de Dokhaven aangelegd met ruimte voor lijnbanen en scheepswerven. Daaromheen kwamen een gracht en vestingwerken. Dat was nodig omdat de Republiek nog steeds in staat van oorlog verkeerde met Spanje. Vlissingen was een belangrijke marinehaven geworden waar ook een aantal jaren de Zeeuwse Admiraliteit was gevestigd.

Het zal weinigen verwonderen dat de komst van de vluchtelingen uit het zuiden de stad voorgoed veranderde: in economisch, cultureel, sociaal en religieus opzicht. Tussen 1500 en 1700 nam het aantal inwoners met bijna 400 procent toe. Het grootste deel daarvan was het gevolg van immigratie. Wie in die tijd op zoek was naar de echte Vlissinger met wortels van voor 1500, moest goed zijn best doen en had een grotere kans om een echte Vlaming, Waal of Fransman tegen te komen. Onder de immigrantenfamilies waren ondernemers, zoals de Lampsins uit Oostende, maar ook rechtsgeleerden die in het stadsbestuur een rol gingen spelen, zoals Pieter de Rijcke uit Gent. De allergrootste groep aanzienlijken werd echter gevormd door de Vlaamse en Waalse predikanten. Zij zorgden ervoor dat Vlissingen in korte tijd transformeerde van een stad waarin gedurende de eerste jaren na 1572 de rooms-katholieken nog ruim in de meerderheid waren, in een stad die rond 1600 volledig calvinistisch was. In 1616 woonden er nog maar twee rooms-katholieke gezinnen. Zij moeten het moeilijk hebben gehad, want de zuidelijke predikanten en hun nakomelingen verkondigden een vorm van calvinisme waarin geen ruimte werd gelaten aan andersdenkenden, zelfs niet binnen de grote protestantse gemeenschap, hetgeen in die jaren ook tot uitdrukking kwam in de dreigende burgeroorlog als gevolg van de twisten tussen de remonstranten en de contraremonstranten. In minstens vier kerken in het zeventiende-eeuwse Vlissingen werd op deze manier gepredikt: de Sint-Jacobskerk, de Middelkerk, de Engelse kerk en de Waalse kerk.

2. De band tussen Vlissingen en de Oranjes
De hechte band tussen Vlissingen en de eerste generaties Oranjes wortelde uiteraard in de gebeurtenissen van 6 april 1572. De liefde was daarna altijd wederzijds en leidde tot en met de negentiende eeuw regelmatig tot voorkeursbehandelingen, voor zover die van invloed konden zijn op de welvaart van de stad, want de macht van de Oranjes was niet altijd even groot. Wanneer we een grafiek maken waarin de economie van Vlissingen en de macht van de Oranjes de twee variabelen zijn, zouden deze in gelijke mate op en neer gaan. Zo was er in de eerste helft van de zeventiende eeuw een stijgende welvaart onder het bewind van Willem I, Maurits en Fredrik Hendrik. Gedurende het stadhouderloze tijdperk daarna zakte de economie weer in. Onder Willem III ging het opnieuw goed met de stad. Het lange tweede stadhouderloze tijdperk in de achttiende eeuw kende vooral achteruitgang en tijdens de Frans periode werd een dieptepunt bereikt. In de negentiende eeuw leefde Vlissingen op tijdens het koningschap van Willem I die er de Marinewerf vestigde. Een tweede bloeiperiode ving aan in 1875 toen prins Hendrik, de broer van koning Willem III, zich sterk maakte voor de vestiging van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland in Vlissingen. Daarna verwerd het koningshuis geleidelijk aan tot een symbolisch instituut dat er moest zijn voor alle Nederlanders en alle steden, maar geen feitelijke macht meer kon uitoefenen.

De banden tussen Vlissingen en de Oranjes hadden ook een formeel juridische status. In 1555 kreeg de toenmalige heer van Vlissingen, Maximiliaan van Bourgondië, de titel van Markies van de steden Veere en Vlissingen die daarbij meteen tot markizaat werden verheven. Alle bezittingen van Maximiliaan op Walcheren vielen vanaf dat jaar onder dit markizaat, dat ondeelbaar was en niet meer ten prooi kon vallen aan twisten over erfenissen. Na de dood van Maximiliaan werd het in 1567 gekocht door Spaanse koning Philips II en in 1581, nadat Philips was afgezet als landsheer van de Noordelijke Nederlanden, door Willem van Oranje. Philips had overigens nooit de koopsom van ruim 200.000 gulden betaald. Willem had dat wel, maar hoefde slechts 74.500 gulden af te rekenen. Vlissingen en Veere kregen door het markizaatschap een dubbele invloed in de Zeeuwse Staten waarvan ze voor 1572 niet eens deel uit mochten maken. De steden hadden na 1572 een zetel, maar werden ook vertegenwoordigd door de zogenaamde Eerste Edele, de machtigste positie in de vergaderingen van de Staten van Zeeland. Deze positie werd in de zestiende en de zeventiende eeuw steeds met succes bevochten door de prinsen van Oranje, stadhouders van de Republiek en markiezen van Veere en Vlissingen.

De banden tussen Vlissingen en de Oranjes vielen volledig samen met het strenge calvinisme dat in Vlissingen werd beleden. Hoewel het niet duidelijk is hoe vroom de Oranjes precies waren en in hoeverre hun geloofskeuzes een politiek karakter hadden, kozen ze in religieuze conflicten doorgaans de kant van de bevindelijken, de preciezen: de kant waar ook Vlissingen stond.

3. Het Engelse pandschap van 1585 tot 1616
Ook in Engeland was in de loop van de zestiende eeuw een geloofsrichting ontstaan waarin sober leven, het precies naleven van de regels van de bijbel, de leer van de goddelijke predestinatie en een strikte zondagsheiliging centraal stonden: het puritanisme. Deze stroming was in eerste instantie een reactie op de onder Hendrik ‘Blauwbaard’ VIII in 1534 van Rome afgescheiden Anglicaanse kerk, die volgens de puriteinen nog te veel roomse elementen in zich droeg. In de Republiek werden de beginselen van de puriteinen overgenomen door de strenge calvinisten.

De invloed van de Engelsen in de Republiek, maar vooral in Vlissingen was van een niet te onderschatten belang. In de jaren tachtig van de zestiende eeuw had het geen haar gescheeld of Spanje had de oorlog definitief gewonnen. Onder leiding van de nieuwe landvoogd Alexander Farnese, beter bekend als de hertog van Parma, veroverden de Spanjaarden vanaf 1578 geleidelijk aan hun verloren gebieden en steden terug op de verzwakte troepen van de nog jonge Republiek. Toen in 1585 Antwerpen in Spaanse handen viel was het pleit bijna beslecht. Dat Spanje uiteindelijk niet kon doordrukken had drie oorzaken: (a) geldgebrek omdat de handel en de nijverheid in de Zuidelijke Nederlanden nagenoeg tot stilstand waren gekomen, (b) de internationale politiek van de Spaanse koning Philips II die meer en meer werd gericht op Duitsland, Oostenrijk en de Middellandse zee en veel minder op de Noordelijke Nederlanden en (c) de hulp die de Republiek in 1586, na de val van Antwerpen, kreeg van de Engelse koningin Elisabeth. Die gaf de hulp natuurlijk vooral omdat de expansie van Philips II een bedreiging ging vormen voor Engeland, maar de Republiek had er plotseling wel een machtige bondgenoot bij. In de onderhandelingen met prins Maurits bedong Elizabeth het tijdelijke eigendom van de twee havensteden Den Briel en Vlissingen, inclusief fort Rammekens. In ruil daarvoor stuurde zij geld en enkele duizenden soldaten naar de Republiek. Deze stonden onder leiding van Robert Dudley, de graaf van Leicester die tevens landvoogd werd. Zijn bewind heeft slechts twee jaar geduurd. Hij was een slecht leider en verloor alle veldslagen met de Spanjaarden. In 1587 werd hij door Maurits en de landsadvocaat Johan van Oldebarneveld ontheven uit zijn functie.

In Vlissingen bleven de Engelsen echter aan de macht. Dat was in 1585 contractueel overeengekomen en het zou tot 1616 duren voordat het contract kon worden afgekocht. In die jaren ging het met Engeland economisch wat minder en kende de Republiek juist een grote groei. Vlissingen was toen ruim dertig jaar Engels bezit geweest en ook die situatie heeft haar geschiedenis sterk beïnvloed. Zo kende de stad na 1585 een groei van de lakenhandel en vonden Vlissingse producten als vis en zout meer dan voorheen aftrek in Engeland. De tegenprestatie was uiteraard dat er in Vlissingen Engelse manschappen werden ondergebracht. Het zal duidelijk zijn dat dit een grote druk op de stad legde die maar ten dele kon worden opgevangen door de uitbreidingen met straten en woningen aan de oostkant.

Ook het Engels pandschap van Vlissingen heeft het ontstaan en de groei van het strenge calvinisme in de stad sterk beïnvloed. De Engelsen bouwden een eigen kerk: de Engelse kerk, die na de opheffing van het pandschap in 1616 door de hervormde gemeente werd overgenomen en vanaf dat jaar de Middelkerk heette. De Engelse kerk bleef in afgeslankte vorm bestaan en vond onderdak in het noordelijk deel van de Sint-Jacobskerk, met een eigen ingang aan de Lepelstraat. In de Engelse kerk werd gepredikt volgens de leer van de puriteinen en dat was precies de leer die de meerderheid van de Vlissingers aanhing. Overigens waren de Engelsen er niet de primaire oorzaak van dat dit in Vlissingen zo was: het pandschap ging pas in 1585 in en toen waren er al substantiële aantallen Walen en Vlamingen in de stad die, zoals we al zagen, de strenge variant van het calvinisme volgden. Een niet te onderschatten detail was wel dat veel van deze vluchtelingen via Engeland naar Vlissingen waren gereisd.

4. De samenstelling van de bevolking: kleyne luyden
Het strenge calvinisme en later de contraremonstrantie hadden de meeste aanhang onder het gewone volk, de kleyne luyden. Deze groep vormde het grootste deel van de bevolking in de steden en bestond uit ambachtslui, lage ambtenaren, kleine kooplieden en arbeiders. Zij mochten niet meedoen met het openbaar bestuur dat door de regenten werd beheerst maar konden er uiteraard wel invloed op uitoefenen door hun massa en de voortdurende dreiging van volksopstanden. Vlissingen was meer dan Middelburg, waar zo’n beetje alle Zeeuwse regenten woonden en werkten, een stad van kleyne luyden. En hiermee hebben we een vierde connectie met het calvinisme in Vlissingen benoemd.

Het waren deze kleyne luyden die aan de basis stonden van de fluctuaties die de Vlissingse economie in die jaren meemaakte en die niet als bijzonder positief kan worden beoordeeld, althans in economisch-strategisch opzicht, want in termen van vrijbuiterij en avontuur scoorden de Vlissingers wel degelijk zeer hoog. Om kort te gaan: de Vlissingse economie blonk uit in eenzijdigheid en gerichtheid op korte termijn succes. Tekenend hiervoor was het gegeven dat de visserij, die eeuwenlang verreweg de grootste bedrijfstak was in Vlissingen, in de periode 1550-1580 nagenoeg verdween. Dat lag voor een deel aan de gevaren die vissersschepen in deze roerige periode liepen om aangevallen te worden door kapers, zeerovers en vijandelijke schepen, maar voor een belangrijk deel ook aan de lucratieve mogelijkheden die werden geboden door de kaapvaart.

5. De commerciële belangen van oorlogssituaties
Na 1575 was het legaal om vijandelijke schepen te kapen en een flink deel van de opbrengst te behouden. Tal van Vlissingse handelaren stortten zich op deze lucratieve handel, namen aandelen in schepen en werden reders. De meeste deden dat omdat ze te weinig kapitaalkrachtig waren voor de aanschaf van een compleet schip. Een uitzondering vormde de familie Lampsins, vluchtelingen uit Oostende, die in het laatste kwart van de zestiende eeuw de basis zou leggen voor een omvangrijk imperium. Ook hun handelen was echter vooral gericht op de korte termijn en een meer structurele groei van de Vlissingse economie door bijvoorbeeld het nastreven van diversiteit in bedrijvigheid, stond bij hen niet hoog in het vaandel. De lijsten van ambachtsgilden uit deze periode bevatten grotendeels beroepen die waren gericht op het stadsleven en de Vlissingers zelf: apothekers, bakkers, metselaars en dergelijke. Er was wel een bierbrouwergilde, maar de productie was waarschijnlijk alleen gericht op lokaal gebruik. De aanwezigheid van een scheepstimmermangilde wijst op het bestaan van scheepswerven, maar die deden vooral aan onderhoud en produceerden geen schepen voor derden.

Door de massale en eenzijdige keuze voor de kaapvaart was Vlissingen afhankelijk geworden van oorlogsvoering. In een stad als Middelburg werd ook goed verdiend aan de kaapvaart, maar daar was men wel voortdurend bezig met de langere termijn. Zo haalden zij in 1599 het Europese kantoor van de Engelse Merchant Adventurers binnen, rond 1600 een van de machtigste handelsorganisaties in de wereld. Vlissingen kwam hiervoor niet in aanmerking omdat de schippers en handelaren uit de stad in Londen als onbetrouwbaar te boek stonden. Zelfs het voordeel dat Vlissingen had als Engelse pandstad, kon hieraan niets veranderen. Een periode van vrede of wapenstilstand was direct funest voor de economie. Dit bleek onder andere tijdens de korte vrede van Gent van 1576 maar vooral tijdens het Twaalfjarig Bestand tussen 1609 en 1621 en bij de uiteindelijke vrede van Munster in 1648. Ook daarna en in de achttiende eeuw bleef dit patroon in stand: in tijden van oorlog ging het in Vlissingen goed, daarbuiten heerste er achteruitgang en armoede. En niemand die daar wat aan kon of wilde veranderen. De prinsen van Oranje maakten in de genoemde perioden dezelfde keuzes. Het is bekend dat het Twaalfjarig Bestand uit de koker kwam van de landsadvocaat Johan van Oldebarneveld die in deze periode prins Maurits in macht naar de kroon stak. Maurits was tegen het bestand omdat hij dacht dat de Spanjaarden inmiddels zo waren verzwakt dat de overwinning voor de Republiek nabij was. Bovendien had de prins vooral vaardigheden als militair en veel minder als staatsman. De strijd tussen de twee vond haar hoogtepunt in de bijna-burgeroorlog tussen de remonstranten en de contra-remonstranten, die in naam ging over religie maar in feite een politiek gevecht was. Maurits won, liet de landsadvocaat onthoofden en verzekerde het huis van Oranje voor een lange periode van de absolute macht. Dit tijdperk duurde tot 1647, het jaar waarin stadhouder Willem II overleed en zijn pasgeboren opvolger, de latere Willem III, nog te jong was om te regeren. Het was het begin van het eerste stadhouderloze tijdperk waarin in 1648 vrede werd gesloten met de Spanjaarden, een vrede waar Willem II tegen was. Net als Vlissingen.


6. De haat tegen de rooms-katholieke kerk
Er was nog een andere reden waarom de Oranjes en Vlissingen elkaar vonden in hun voorkeur voor de staat van oorlog met de Spanjaarden: de afkeer van het rooms-katholieke geloof dat zich uitte in een onvoorwaardelijke Papen-haet. We zagen al dat er in 1616 nog maar twee rooms-katholieke gezinnen woonden en kunnen gerust aannemen dat hun vroegere geloofsgenoten, die ook in de jaren na 1572 nog in de meerderheid waren, niet onvrijwillig de stad hebben verlaten. In andere Zeeuwse en Hollandse steden bestond dit beeld ook, maar in minder sterke mate. Deze aversie heeft zichzelf alleen maar versterkt zoals dat nu nog steeds het geval is bij religieuze haatcampagnes. Ook de prinsen van Oranje volgden dit patroon: was Willem I nog een rooms-katholiek die pas op latere leeftijd overstapte naar het nieuwe geloof, zijn zonen Maurits en Frederik Hendrik werden opgevoed als calvinisten. De oorlog tegen de Spanjaarden en de gruwelijkheden die daarin gebeurden, versterkten de haat tegen de rooms-katholieken. Het geweld was uiteraard wederzijds, maar nuanceringen golden ook toen al niet in tijden van oorlog. Tegelijkertijd beseften de prinsen dat de instandhouding van de strijd, inclusief de vooroordelen en de verspreiding ervan onder de bevolking, profijtelijk was. Oorlogsvoering kostte geld, maar zolang er genoeg buit werd binnengehaald bestond er een gunstige winst- en verliesrekening en was de continuïteit van deze ‘handel’ voordeliger dan het sluiten van vrede en het daarna opbouwen van iets nieuws met alle risico’s van dien.

IJzeren greep
Het zal duidelijk zijn dat dit mechanisme in Vlissingen sterker was dan in welke andere stad in Zeeland en de Republiek dan ook. De invloed van het strenge calvinisme was daarbij allesbepalend. De combinatie van de immigrantenstroom, de toewijding aan de Oranjes, de 30-jarige grootschalige aanwezigheid van puriteinse Engelse soldaten, de relatief grote groep kleyne luyden, de op oorlogssituaties gegrondveste economie en de samenbindende haat tegen alles wat rooms-katholiek was, heeft de Scheldestad ruim twee eeuwen in een ijzeren religieuze greep gehouden. Het einde kwam pas met de komst van Napoleon in 1795. Maar toen was er van Vlissingen niet veel meer over. Behalve dan haar strategische ligging aan de Scheldemond. Maar die was er altijd al.