Nieuwbouw, nieuwbouw en nog eens nieuwbouw

Nissenhutten in de Paul Krugerstraat in 1946
met links gewone noodwoningen
(Fotocollectie, Gemeentearchief Vlissingen)
In december 1988 werd de monumentale muur van de voormalige smederij van de Koninklijke Maatschappij De Schelde op de hoek van de Aagje Dekenstraat en het Betje Wolffplein gesloopt. Veel Vlissingers hadden daar moeite mee. De muur had meer dan tachtig jaar het beeld van de toegang tot de binnenstad bepaald en stond landelijk bekend als een industrieel monument van de eerste orde. Toegegeven, de facelifts van de laatste jaren, zoals de stalen kraag, waren niet echt mooi uitgevallen en de ramen lekten dat het een aard had, maar de muur zelf had nog niets aan uitstraling en kracht ingeboet. Restauratie was mogelijk, maar dat kostte miljoenen en die had Vlissingen niet beschikbaar. Althans niet voor het behouden en conserveren van monumenten. De sloop was een feit en enkele jaren later stond er op de vrijgekomen grond een nieuw winkelcentrum, een parkeergarage en een complex met 78 appartementen.

De gebeurtenissen in 1988 zijn illustratief voor de manier waarop er in Vlissingen gedurende de negentiende en twintigste eeuw is omgegaan met het bouwkundig erfgoed. In de keuze tussen restaureren enerzijds of slopen en nieuwbouw anderzijds werd bijna altijd voor het laatste gekozen. Tussen 1875 en 1940 was het vooral De Schelde die vanwege de uitbreiding van haar activiteiten aanstuurde op de sloop van straten en zelfs complete wijken, inclusief monumentenpanden , na 1945 was het vooral de gemeente Vlissingen die saneerde. In 1988 was het argument dat “… De Schelde in vroeger tijden een groot deel van het stadsoppervlak had ingepikt en het tijd werd om weer eens wat terug te pakken…”. Dat er ook nu weer een belangrijk monument moest worden afgebroken nam men op de koop toe. De uiteindelijke beslissing lag altijd bij de gemeenteraad en de mening daar was nu eenmaal een afspiegeling van wat de gemiddelde stemgerechtigde Vlissinger vond.
Het zou makkelijk zijn om van dit artikel een lange klaagzang te maken over het saneringsbeleid van de gemeente Vlissingen na de Tweede Wereldoorlog. Voorbeelden genoeg. Ook over de kwaliteit en de uitstraling van de nieuwe huizen, gebouwen en straten kan een hoop negatiefs worden gezegd. We kunnen met een scheef oog kijken naar de binnenstad van Middelburg die men na 1940 steen voor steen weer heeft opgebouwd, grotendeels volgens het oude stratenplan, veel helpen zal het niet. De stad is zoals die is: een boulevard met daarachter een verzameling huizen, winkels en bedrijven. Het stadsbeeld van Vlissingen past niet, zoals dat van Middelburg en Veere, op een tekening van Anton Pieck maar heeft wel een ziel. Vlissingen is geen openluchtmuseum. Haar geschiedenis laat zich beschrijven aan de hand van hetgeen in de plaats is gekomen van het verwoeste of het gesloopte.
Weg dus met het gezeur en geklaag over verdwenen monumenten. Het is veel interessanter om een poging te doen de wederopbouw en de stadsvernieuwing tussen 1945 en 1990 te analyseren en de vraag te stellen waarom de dingen zijn gegaan zoals ze zijn gegaan. Deze vraag wordt concreter wanneer we haar omdraaien: waarom heeft het gemeentebestuur van Vlissingen nooit gekozen voor de weg die Middelburg wel insloeg: het zorgvuldig herstellen van het vooroorlogse stadsgezicht? Op deze vraag kunnen, behalve een verwijzing naar het chronische geldgebrek van de gemeente Vlissingen dat tot op de dag van vandaag voortduurt, nog minstens vijf andere plausibele antwoorden worden gegeven die vanzelfsprekend een sterke onderlinge samenhang en een zekere volgordelijkheid vertonen.

1. De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog 
Vlissingen was na de Tweede Wereldoorlog met afstand de meest verwoeste stad van Nederland. In zijn nieuwjaarsrede van januari 1946 maakte waarnemend burgemeester L.P. van Oorschot de cijfers bekend: van de 6.220 woningen die Vlissingen in 1940 telde waren er 1.381 totaal verwoest. Zij moesten sowieso worden afgebroken. De overige waren zwaar of minder zwaar beschadigd. Er was zegge en schrijve één enkel huis dat ongeschonden het einde van de oorlog had gehaald: een pand in de Walstraat, volgens de ooggetuigen de speciaalzaak in huishoudelijke artikelen en porselein (!) van de Firma Moerman op nummer 94. Op iedere 100 inwoners waren er 5,7 huizen verwoest. In Middelburg was dat 3,3 en Rotterdam, doorgaans genoemd als de meest getroffen Nederlandse stad, 4,5. Nog veel, maar een stuk minder dan in Vlissingen. Alleen Den Helder komt met 4,6 verwoeste huizen per 100 inwoners een beetje in de buurt.
Vlissingen had, in tegenstelling tot de meeste andere steden, meerdere bombardementen door moeten maken. Niet alleen van de Duitsers, maar ook van de Engelsen, die gedurende de hele oorlog zo’n 80 aanvallen uitvoerden op de stad. Een déjà vu, omdat de laatstgenoemden in 1809 ook al verantwoordelijk waren voor een tegen de Franse bezetters gericht bombardement waarvan het verlies aan mensen en woningen percentueel nog groter was dan dat in 1944. Hoewel het belang van Vlissingen als strategisch gelegen stad aan de Schelde sinds de Franse bezetting nagenoeg was verdwenen, zagen de geallieerden tussen 1940 en 1944 dat duidelijk anders. Vlissingen was na 130 jaar opeens weer belangrijk genoeg om te worden verwoest. De meeste doden in de stad vielen als  gevolg van geallieerde aanvallen.
De genadeklap kwam toen in oktober 1944 de dijken van Walcheren op vier plaatsen kapot werden geschoten met als doel het eiland onder water te zetten waarna het makkelijker zou zijn voor de geallieerden om het te bevrijden. Van de vier stroomgaten bevonden zich er twee bij Vlissingen: de Nolledijk en de dijk bij Fort Rammekens. De andere twee lagen bij Westkapelle en Veere. In Vlissingen kwamen in totaal 2.065 woningen onder water te staan, waarvan 1.600 permanent, dus ook bij eb. Hierbij waren uiteraard veel verwoeste woningen, maar ook huizen die nog wel opgeknapt konden worden wanneer ze alleen maar bommenschade hadden gehad. Het zoute water werkte het onttakelingproces echter dusdanig in de hand dat renoveren uiteindelijk vele malen duurder zou worden dan afbreken. Dat kwam vooral omdat het nog bijna anderhalf jaar zou duren voordat Vlissingen weer helemaal droog was. Oorzaken: materiaalschaarste, geldgebrek, bureaucratie bij de landelijke overheid, ondeskundigheid en voortdurende stakingen bij de arbeiders omdat de lonen in relatie tot de arbeidsomstandigheden als veel te laag werden beschouwd. Toen in 1947 de gaten in de dijken waren gedicht en de laatste straten en huizen droogvielen, bleef Vlissingen zitten met een woningbestand waarvan meer dan de helft, economisch gezien, het beste maar zo snel mogelijk kon worden afgebroken. Het was niet het probleem van een enkele straat of wijk, maar dat van een halve stad. Het valt te betwijfelen of er ook maar iemand was in Vlissingen die serieus nadacht over restauratie, zoals dat in Middelburg al een paar jaar aan de gang was, gedurende de oorlogsperiode zelfs met behulp van de Duitsers. In de wederopbouwplannen die in de jaren na 1944 werden gepresenteerd zijn de woorden renovatie en restauratie dan ook niet terug te vinden. Men heeft het over sanering, afbraak van krotwoningen, nieuwe infrastructuur, uitbreiding van de havens en vooral: “… nieuwbouw van woningen en winkels op grote schaal, nieuwbouw en nog eens nieuwbouw.”

2. Bureaucratie landelijke overheid
Ook na 1947 kwam de wederopbouw niet echt op gang, althans niet in een snelheid die recht kon doen aan de ambitieuze plannen van de gemeente Vlissingen, de vele terugkerende evacués en de vraag naar arbeid vanuit de N.V. Koninklijke Maatschappij De Schelde, waar op eigen kosten een deel van de oorlogsschade was hersteld en waar de opdrachtenstroom geleidelijk aan toenam. De problemen die speelden zijn bekend: geld- en materialengebrek en een stroperige overheid die naast Vlissingen te maken had met 1.015 andere gemeentebesturen die ook allemaal een voorkeursbehandeling wilden. De landsregering was het enige aanspreekpunt voor geld, dat moest komen uit een bijna lege schatkist. Andere hulp was afkomstig van buitenlandse fondsen, waaronder het Marshallplan dat Nederland tussen 1948 en 1955 meer dan drieënhalf miljard gulden schonk in de vorm van goederen die door de Verenigde Staten werden betaald. De vraag naar overheidsgeld was vele malen groter dan de beschikbaarheid ervan en in dat soort situaties reageren overheden doorgaans met het instellen van instanties en procedures die de schaarse middelen op een verdedigbare manier moeten gaan verdelen. Dat was in de eerste naoorlogse jaren niet anders. Het gevolg was dat gemeenten jaren moesten wachten op een substantiële bijdrage in de eigen wederopbouwfondsen. De tijd was daarbij in het voordeel van de landelijke overheid, omdat de handel en de productie geleidelijk aan weer op gang kwamen en er dus inkomsten uit belastingen konden worden gegenereerd.
Vlissingen had in de tweede helft van de jaren veertig het voordeel gehad van het feit dat het een van de zwaarst beschadigde steden was, waardoor er meer nieuwe huizen konden worden gebouwd dan in de andere steden. De echte opleving kwam pas na januari 1951 toen de Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen werd aangenomen door de Tweede Kamer. In dat jaar kreeg het Vlissingse plan dat al in 1947 en 1948 was opgesteld, de officiële status van Wederopbouwplan.
Wat in de eerste jaren na de bevrijding wel snel kon worden gerealiseerd in Vlissingen was het op grote schaal bouwen van noodwoningen: hiervoor was veel minder geld nodig, er kon gewerkt worden met makkelijker te krijgen goedkope materialen en het aantal procedures bij de landelijke overheid was beduidend minder. Al in juli 1945 werd op initiatief van wethouder H.B.J. Knoop de Stichting tot het bouwen en beheeren van noodwoningen opgericht. Hierin werkten vier Vlissingse woningbouwverenigingen samen. Nog geen jaar later, in mei 1946 werden de eerste noodwoningen opgeleverd: vijftig stuks in Havendorp, een terrein ten noorden van de Buitenhaven. In 1946 en 1947 werden hier 389 huizen gebouwd waar tot 1965 in totaal 1.676 gezinnen met 5.383 mensen hebben gewoond. De woningen hadden een begane grond en een zolderverdieping. De gezinnen kregen de beschikking over een woonkamer, drie kleine slaapkamertjes, een toilet en een kolenhok. Iedereen had een klein tuintje aan de achterzijde. In de wijk was een politie- en brandweerpost, tien winkels en een gemeenschapsruimte voor de vertoning van films, het vieren van bruiloften en het houden van kerkdiensten. Naast Havendorp werden er nog 191 noodwoningen gebouwd aan de Singel, de Koudekerkseweg, het Van Nispenplein, de Bilderdijklaan, de Nicolaas Beetslaan, de Constantijn Huijgenslaan, de Vredehoflaan. In de Paul Krugerstraat verrezen tien nissenhutten. Het was bij lange na niet genoeg om aan de grote vraag naar woonruimte te kunnen voldoen, maar het was een begin.
De bouw van noodwoningen werd al in 1948 stopgezet toen Vlissingen haar wederopbouwplan had ingeleverd en daarnaast steeds vaker toestemming kreeg om met overheidsteun gewone huizen te bouwen. In deze periode werden onder andere het Eiland, de Gravestraat en de Breewaterstraat gesaneerd en voorzien van nieuwe woningen.

3. De Watersnoodramp van 1953
In de eerste acht na-oorlogse jaren was de aandacht vooral gericht op het bouwen van noodwoningen en het maken van plannen voor nieuwbouwwijken. Daarnaast was er het ambitieuze plan om het centrum van de stad te verplaatsen naar het al tientallen jaren braakliggende gebied tussen de Badhuisstraat, de Paul Krugerstraat en de Brouwenaarstraat, in de volksmond de Gobiwoestijn genoemd. De binnenstad was voor een belangrijk deel verkrot en zou later aan de beurt komen voor sloop en nieuwbouw. Er waren nauwelijks geluiden te horen die wezen op de mogelijkheid om de bestaande huizen daar te restaureren. De stad had behoefte aan duizenden nieuwe woningen en de bouw ervan kon het best en het snelst worden gerealiseerd buiten het centrum.
In 1953 zou het moderniseringsbeleid van de gemeente Vlissingen een ongevraagde duw in de rug krijgen. Door natuurgeweld dit keer. In de nacht van zaterdag 31 januari van dat jaar zorgde een combinatie van springvloed en een noordwesterstorm met orkaankracht voor een watersnoodramp van ongekende omvang, die grote delen van Zeeland, West-Brabant en Zuid-Holland onder water zette en uiteindelijk aan meer dan 1.800 mensen het leven kostte. Walcheren werd grotendeels gespaard, mogelijk als gevolg van de herstelwerkzaamheden na de inundatie van oktober 1944. Op één stad na: Vlissingen. Hoewel er nergens een echte doorbraak was, werden grote delen van de boulevards zwaar beschadigd en kon het water tijdens de superspringvloed vrij de stad instromen: door de gaten in de bebouwing van de boulevards, langs de openstaande sluisdeuren bij de vissershaven en over de muur bij de Voorhaven. De meeste straten in de laaggelegen Vlissingse binnenstad stonden onder het zeewater dat op sommige plaatsen tot drie meter hoogte reikte. Anders dan bij de inundatie in 1944 kwam er na die nacht geen nieuw water meer bij om de eenvoudige reden dat de overstroming was veroorzaakt door een springvloed. Op zondag 1 februari slaagden medewerkers van de PZEM erin om de rioolpomp weer aan de gang te krijgen en werd een begin gemaakt met het droogmaken van de stad. De volgende ochtend was het water verdwenen en konden de gedupeerde bewoners en winkeliers in de binnenstad de balans opmaken. Er was natuurlijk veel schade aan huisraad en winkelvoorraden. Daarnaast hadden de meeste panden, die ook nog steeds de zichtbare sporen droegen van het eerdere oorlogsgeweld opnieuw zwaar geleden door het wild kolkende en snel stromende zeewater, dat in veel straten tot de hogere verdiepingen of de zolders was doorgedrongen. Hoewel de meeste inwoners en winkeliers snel terugkeerden en het gewone leven weer oppakten bleef het besef dat er iets moest gebeuren en waren er weinigen die geloofden in restauratie, als dat al ooit een optie was geweest.
In oktober 1953, acht maanden na de februariramp werd door de gemeenteraad een uitbreidingsplan goedgekeurd dat was gebaseerd op een plan uit 1937 dat nooit is uitgevoerd vanwege het uitbreken van de oorlog. Uiteraard waren de omstandigheden veranderd waardoor er  meer mogelijk was dan in 1937. Een van de veranderingen betrof het definitieve besluit om geen nieuw vliegveld meer aan te leggen op de plaats van het oude. Hierdoor kwam er ten noorden van de stad grond vrij voor de bouw van een aantal nieuwe wijken, waaronder de Bonedijkestraat, de President Rooseveltlaan en de gebieden daaromheen. In het uitbreidingsplan stond ook dat er in de oude binnenstad 200 nog bewoonde huizen gesloopt zouden gaan worden. In 1937 en gedurende de eerste naoorlogse jaren was daarvan nog geen sprake geweest. Het was dan ook de eerste keer dat dit onderwerp zo concreet en op deze schaal werd benoemd en gepland.

4. De vraag vanuit De Schelde om nieuwe arbeiderswoningen
Hoewel ook de gebouwen en de terreinen van de N.V. Koninklijke Maatschappij De Schelde zwaar hadden geleden onder het oorlogsgeweld, was men daar al vrij snel weer in staat om opdrachten aan te nemen en uit te voeren. De werf had tijdens de oorlog gefunctioneerd voor zover dat mogelijk was binnen de omstandigheden en had verschillende marineschepen gebouwd in opdracht van de Duitsers en koopvaardijschepen voor maatschappijen die samenwerkten met de Duitsers of door hen werden getolereerd. Iconisch is het beeld op de foto’s uit die tijd, waarin de werf, maar ook Vlissingen, werd gedomineerd door de boven alles uittorende Willem Ruys, waarvan de bouw al in 1939 was begonnen maar tijdens de bezetting moedwillig was vertraagd door De Schelde zelf. Het schip kwam onbeschadigd de oorlog door en kon in 1947 alsnog worden afgeleverd aan de opdrachtgever, de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd.
In de loop van 1946 waren de herstelwerkzaamheden zodanig gevorderd dat er weer kon worden geproduceerd. Naast de Willem Ruys en nog een paar andere schepen die al voor de oorlog in productie waren gegaan, kwamen er opdrachten uit Frankrijk en van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland. Het gevolg was dat men direct al verlegen zat om personeel dat niet van elders kon worden gehaald omdat er in Vlissingen geen huisvestingsmogelijkheden waren. Dat gold natuurlijk ook voor de medewerkers die waren geëvacueerd. Het grootste deel van de Vlissingse bevolking woonde buiten de stad en vaak zelfs buiten de provincie.
De directie van De Schelde dreigde in deze periode, maar ook later, tot ver in de jaren vijftig, met vertrek uit de stad, wanneer de gemeente niet snel zou zorgen voor huisvesting. Dat zorgde voor een enorme druk op het stadsbestuur. Immers, De Schelde was voor de oorlog met afstand de belangrijkste werkgever geweest waarvan in sommige jaren meer dan de helft van de beroepsbevolking afhankelijk was. Ook de gemeentelijke schatkist en de lokale economie draaiden voor een belangrijk deel op de inkomsten van de werf. Daarnaast zorgde De Schelde voor veel werk en levendigheid in de havens en was zij verantwoordelijk voor de positie van Vlissingen als de grootste en meest geïndustrialiseerde stad van Zeeland. Het kwijtraken van De Schelde zou een zelfde effect hebben gehad als de opheffing van de Marinewerf in 1867, toen van de ene op de andere dag driekwart van de beroepsbevolking werkloos was. De stad werd kort daarna gered door de komst van een nieuwe scheepswerf, maar op een herhaling van dat scenario kon dit keer niet worden gerekend. De wereld was veranderd, had twee wereldoorlogen doorstaan en het bouwen van schepen was al lang niet meer de exclusieve bezigheid van westerse landen.
Vlissingen stond met de rug tegen de muur: De Schelde eiste honderden nieuwe woningen op straffe van vertrek uit de stad en de gemeente zelf had weinig te eisen bij de enige instantie die kon beslissen over geld en woningbouw: het Rijk. De stad kon maar één weg bewandelen: ervoor zorgen dat er binnen de beperkte ruimte toch meer werd gebouwd dan strikt genomen was toegestaan, plannen maken voor de nabije toekomst en hopen op een tijdsvoordeel. Immers, het verhuizen van een scheepswerf met de omvang van De Schelde zou een karwei worden dat een aantal jaren kon duren. Bovendien zou het bedrijf de benodigde investeringen niet alleen kunnen opbrengen en moest dus extra geld worden aangetrokken. Vlissingen zou deze veldtocht uiteindelijk met succes volbrengen. Hoewel de scheepswerf nog tot in de jaren vijftig regelmatig dreigde met het vertrek van bedrijfsonderdelen, wist de stad steeds net op tijd voor voldoende perspectief te zorgen waardoor De Schelde weer afzag van haar plannen. In deze rattenwedloop kon Vlissingen niet anders dan kiezen voor snelheid en kostenefficiëntie. Vertaald in de wijze waarop er woonruimte werd gecreëerd betekende dat op de korte termijn: het bouwen van noodwoningen, het provisorisch herstellen van beschadigde panden en het op de middellange termijn realiseren van nieuwbouwwijken buiten het stadscentrum. De huizen daar moesten voldoen aan de in die tijd niet al te hoge kwaliteitseisen, maar meer ook niet. Het gevolg was dat de periferie van Vlissingen werd volgebouwd met woningen zonder franje aan de buiten- en de binnenkant. Er was wel altijd een toilet, maar zelden een douche, laat staan een badkamer. Je kon de buren ruzie horen maken en ’s winters was het alleen warm in de buurt van de kachel die werd gestookt op kolen of op olie. Maar ze kwamen er wel, voor 1951 mondjesmaat en na 1951 met hele straten en wijken tegelijk.
Het gaat wat ver om te stellen dat dit vroege wederopbouwbeleid de stad van de ondergang heeft gered. Dat het een stevig en noodzakelijk fundament heeft gelegd onder de latere groei en welvaart van Vlissingen is zeker.

5. Ruimtegebrek
De geografische ligging van het centrum van Vlissingen weerspiegelt haar verleden en is verschillende keren verschoven. Wanneer we Oud-Vlissingen meetellen, vond de eerste verschuiving plaats omstreeks 1300, toen het centrum verhuisde van het plek waar nu ongeveer de Watertoren staat naar de huidige Grote Markt. Na het Engels bombardement van 1809, dat de hele omgeving van dit plein inclusief het monumentale stadhuis, in de as legde, ging het gebied rond de Walstraat en de Sint-Jacobskerk steeds meer als centrum functioneren. Net na de Tweede Wereldoorlog, toen ook dit gebied voor een groot deel was verwoest, waren er plannen om de Gobiwoestijn tot stadscentrum te maken. Deze plannen sneuvelden in het geweld van de snelle en grootschalige nieuwbouw waarmee Vlissingen na 1945 probeerde om haar oude en nieuwe inwoners een dak boven het hoofd te geven. Alleen de bouw van het nieuwe stadhuis is in de jaren zestig doorgegaan, maar het plein eromheen is uiteindelijk niet gaan functioneren als stadscentrum. Dat was ook al lang niet meer de bedoeling. De gemeente had inmiddels ingezet op de sanering van het oude stadscentrum.
Naast de verschillende locaties van het centrum zijn ook de verschillende stadsuitbreidingen door de eeuwen heen sterk door de turbulente geschiedenis van de stad bepaald. Natuurrampen, ondernemerschap en oorlogsgeweld waren de belangrijkste factoren die hierin een rol speelden. In de dertiende en veertiende eeuw zorgden stormvloeden ervoor dat meer dan de helft van het grondgebied van Vlissingen verloren ging. Vanaf die tijd grensde de westkant van de stad direct aan de zee. De zuidkant deed dat altijd al en aan de oostkant werd de ene na de andere haven gegraven door ondernemende Vlissingers, buitenstaanders die de stad als een ideale handelsplaats beschouwden of machthebbers die er hun oorlogsvloten stationeerden of de toegang naar Antwerpen wilden controleren. Later kwamen daar de terreinen van De Schelde bij. Aan de noordkant ging het grondgebied van de stad al vrij snel over in dat van Oost- en West-Souburg en Koudekerke. Bovendien werd hier in de jaren twintig een vliegveld aangelegd waardoor stadsuitbreiding in noordelijke richting werd geblokkeerd.
Vlissingen lag in 1944 aan vier kanten ingeklemd tussen de zee, de havens, De Schelde en de buurgemeenten en kon feitelijk geen kant meer op. Er waren wel plannen gemaakt om delen van Koudekerke en Souburg bij de stad te voegen, maar die waren tot dan toe stukgelopen op bezwaren van de betreffende gemeentebesturen. Intussen groeide de woningnood en had ook de Zeevaartschool zich bij De Schelde gevoegd als organisatie die voor haar bestaan afhankelijk was van voldoende huisvesting en daarom ook dreigde met vertrek. Er bleef dus maar één oplossing over: proberen om in de wel beschikbare maar beperkte ruimte toch voldoende nieuwe woningen te bouwen. En dat betekende weer een argument om te gaan slopen en snelle nieuwbouw te realiseren: eerst het Eiland, de Gravestraat en de Breewaterstraat, wat later de Bonedijkestraat en de Rooseveltlaan en begin jaren zestig de binnenstad.
De sanering van de laatste, vanaf 1961, wordt door veel Vlissingers nog steeds ervaren als een zwarte bladzijde in de bouwgeschiedenis van de stad. Er werden niet alleen tientallen monumentale en karakteristieke huizen afgebroken, ook de loop van straten verdween, met als meest aansprekende voorbeeld de Kromme Elleboog die met veel andere nauwe en kronkelige straatjes en steegjes als sfeerbepalend voor de binnenstad werden gezien. De meeste in die tijd opgetrokken panden tussen de Spuistraat, de Lange Zelke en de Walstraat staan er nog steeds. Er is in de tussenliggende jaren veel gedaan aan verbetering van de sfeer en de verkeersveiligheid, een prijs voor het mooiste stadscentrum zal Vlissingen er nooit mee winnen.
En toch kan het tijdstip waarin deze achteraf gezien kille sanering tot stand kwam, als verzachtende omstandigheid worden gezien voor het toenmalige gemeentebestuur dat onder leiding stond van burgemeester Mr. B. Kolff. De saneringsplannen werden gemaakt in de jaren vijftig en door de gemeenteraad geaccordeerd in 1961. De economische omstandigheden waren weliswaar verbeterd, geldgebrek en woningnood behoorden nog steeds tot de top vijf belangrijkste problemen van de stad. Tussen 1960 en 1964 zou het aantal woningzoekenden zelfs nog stijgen: van 910 naar 1.336. Stimulering van de havens en de industrie en het scheppen van randvoorwaarden om nog meer mensen naar de stad te lokken waren nog steeds de pijlers onder het vooruitgangsdenken van de gemeente. In dat denken pasten geen geldverslindende projecten als het restaureren van stadsgezichten uit een ver verleden. Daar kwam nog bij dat er in de jaren vijftig in de binnenstad behoorlijk wat leegstand was ontstaan omdat veel gezinnen vanuit hun verkrottende woningen naar de nieuwe wijken waren verhuisd. Het slopen van een huis waarin niemand meer woonde was ook toen al voordeliger dan het slopen van een bewoond pand.
1961 was ook het jaar waarin Vlissingen eindelijk kon beginnen met de realisatie van het grootste nieuwbouwproject dat Vlissingen ooit had gekend: de wijk Paauwenburg in het noordwesten van de stad, waar in eerste instantie 1.800 woningen moesten komen. Vlissingen had al in 1951 een procedure aangespannen bij de Raad van State om de benodigde grond die eigendom was van Koudekerke te mogen gaan gebruiken. In het Streekplan Walcheren uit het zelfde jaar was namelijk bepaald dat het gebied was bestemd voor landbouw en niet voor bewoning. De procedure werd in 1954 in het voordeel van Vlissingen beslecht. Het zou nog tot 1959 duren voordat de provincie een nieuwe versie van het Streekplan gereed had. In 1960 ging ook de Vlissingse gemeenteraad akkoord en kon worden begonnen met het bouwrijp maken van de grond.
Met de ontwikkeling van de nieuwe wijk en de latere annexatie van Oost- en West-Souburg en Ritthem was een eind gekomen aan het gebrek aan bouwgrond van de gemeente Vlissingen. Voor de oude binnenstad was het toen al te laat. De vraag is of Vlissingen nog een jaar of tien had kunnen wachten op betere tijden. De binnenstad liep al leeg en was in hoog tempo aan het verkrotten. Weer, wind en uitblijvend onderhoud hadden de nekslag gegeven aan het gebied. Want geld, dat was er nog steeds onvoldoende. Bij de gemeente én bij particulieren.

Na 1990
De Scheldemuur langs het Betje Wollfplein en de Aagje Dekenstraat was het laatste belangrijke monument dat werd gesloopt. De binnenstad was nog lang niet klaar, maar in de 25 jaar die volgden namen de gemeente, maar vooral haar inwoners, steeds vaker de beslissing om panden en industriële objecten te restaureren. Samenwerking tussen de overheid, het bedrijfsleven en particulieren was in de meeste gevallen de sturende kracht. Terugkijkend kunnen we in 2015 een behoorlijke lijst maken van deskundig gerestaureerde objecten. Een greep: het Lampsinshuis, het Vierwindenplein, het Dokje van Perry, de Scheldekraan, de panden aan het Bellamypark en de nieuwbouw in de Slijkstraat en op de Grote Markt.  Het is zelfs tegenwoordig mogelijk om een Anton Pieckachtige stadswandeling te maken zonder beton te zien.