Ondergronds nut

De gasfabriek langs de Marinesluis omstreeks 1905
(Fotocollectie, Gemeentearchief Vlissingen)
Op 10 juni 1880 ging de gemeenteraad van Vlissingen akkoord met de verkoop van de gemeentelijke gasfabriek aan de Wijnbergsche Kade aan het Engelse bedrijf Imperial Continental Gas Association (ICGA) voor 150.000 gulden. De Engelsen kregen daarvoor ook het recht om 25 jaar lang gas te leveren aan Vlissingse bedrijven en particulieren. De fabriek, die gas produceerde door steenkool te verbranden, was in 1861 gebouwd in opdracht van de gemeente Vlissingen om de stad te kunnen voorzien van een moderne vorm van straatverlichting, maar vooral omdat men dacht dat de vraag naar gas vanuit het bedrijfsleven in de jaren daarna behoorlijk zou gaan toenemen.

De werkelijkheid bleek anders. De straatverlichting in de stad en langs de havens werd gerealiseerd omdat de gemeente zelf de opdrachtgever was, maar de vraag naar gas bleek minder groot dan men had bedacht. In de jaren na 1861 maar vooral 1868, toen de landsregering besloot om de marinewerf naar Holland te verplaatsen, geraakte Vlissingen in een vrije economische val. Niet alleen de werf zelf met haar ruim negenhonderd werknemers verdween, maar ook de vele toeleverende bedrijven en werkplaatsen die vertrokken of ten onder gingen omdat voor hen een verhuizing te kostbaar was. Tussen 1861 en 1875 nam de bevolking af van 11.000 naar 9.500. In de jaren zestig van de negentiende eeuw was het aantal bedrijven met meer dan één werknemer op de vingers van twee handen te tellen: een bierbrouwerij, een zeepziederij, drie korenmolens, een brandspuitfabriek, een katoenweverij, twee kaarsenmakerijen en een chocoladefabriek. De Marinewerf was verantwoordelijk geweest voor meer dan 95 procent van de industriële werkgelegenheid in Vlissingen. Na het vertrek van de werf was de gasfabriek met haar twaalf medewerkers direct de grootste werkgever. Veel meer dan het laten branden van de straatverlichting was er echter niet te doen en de fabriek werd al snel een permanente verliespost voor de gemeente Vlissingen.

ƒ 0,01 voor 170 liter gas
Pas in juni 1880 kwam aan deze situatie een eind. Vlissingen had net een nieuwe burgemeester gekregen: Arie Smit, tevens president-commissaris van de nieuwe scheepswerf De Schelde die in 1875 was opgericht. Hoewel de afzet van de gasfabriek na de komst van de werf behoorlijk was aangetrokken, overheerste na de komst van Smit de mening dat je dergelijke diensten maar beter kon overlaten aan het particuliere initiatief. Bovendien was de fabriek nog steeds verliesgevend. In het laatste boekjaar 1879 was er een negatief saldo van 21.424 gulden en dat drukte zwaar op de gemeentelijke begroting. De gemeenteraad wijdde vier vergaderingen aan dit onderwerp en besloot op 10 juni 1880 tot de verkoop van het nutsbedrijf. De Engelse multinational Continental Gas Association was al jaren bezig om vaste grond onder de voeten te krijgen op het Europese vasteland en had in Nederland al fabrieken kunnen overnemen in Rotterdam, Amsterdam en Haarlem. De koopovereenkomst telde 34 artikelen en regelde vooral de openbare stadsverlichting. Zo moesten de lantarens gemiddeld minstens 1.900 uur per jaar branden met een minimum van drie uur per dag. Er mocht maar één soort brander worden gebruikt die niet meer dan 170 liter gas per uur verbruikte en die een lichtgevend vermogen had dat gelijk was aan 14 spermacetikaarsen die waren gemaakt van potvissenolie. De gemeente ging hiervoor één cent per uur per lantaren betalen. In 1880 waren er 237 lantarens. De totale kosten voor de gemeente bedroegen daarmee jaarlijks 4.500 gulden, nog maar een kwart van de kosten die ze kwijt waren aan het verlies op de fabriek. Het aanstellen van een ondernemer als burgemeester wierp zo zijn vruchten af. Ook particulieren konden uiteraard gebruik maken van de diensten van de gasfabriek op voorwaarde dat zij minstens drie maanden gas zouden afnemen. De fabriek was dan verplicht om een leiding naar de betreffende woning aan te leggen en een gasmeter te plaatsen. De gasprijs werd vastgesteld op twaalf cent per kubieke meter, twee keer zo veel als het bedrag dat de gemeente betaalde voor de verlichting van de straten en de openbare gebouwen. De eerste jaren van de fabriek na 1880 waren waarschijnlijk verliesgevend. Hoewel de Kamer van Koophandel in 1883 rapporteerde dat de gasproductie succesvol was, werd een verzoek van de gemeente om een tariefverlaging afgewezen omdat de opbrengsten van de fabriek een mindere prijs niet toelieten en het kapitaal onvoldoende rente opbracht. In 1887 was die toestand blijkbaar zo veranderd dat er een prijsdaling kwam van maar liefst 25 procent: het gas dat was bestemd voor koken en verwarming in particuliere huizen werd verlaagd naar negen cent per kubieke meter. Verlichtingsgas kwam op tien cent. En daarmee liep de directie van de gasfabriek vooruit op een ontwikkeling zoals we die tegenwoordig nog steeds kennen: we gebruiken gas om voedsel te bereiden en kachels te laten branden en al lang niet meer om onze huizen en straten te verlichten. Want daarvoor gebruiken we elektriciteit.

ƒ 0,25 per kilowattuur
In november 1908 kreeg het stadsbestuur van Vlissingen een brief van de ICGA, de moedermaatschappij van de gasfabriek in Londen, waarin werd gevraagd of er belangstelling was voor het leveren van elektriciteit in de gemeente, te gebruiken voor verlichting maar ook voor de aandrijving van motoren in fabrieken, werkplaatsen en vooral trams. Vlissingen kende al vanaf 1881 een stoomtramverbinding met Middelburg die werd verzorgd door de Brusselse firma S.A. des Tramways a Vapeur Flessingue-Middelbourg et Extensions. In 1908 was er ook een lijn naar het badhuis en de Leeuwentrap. Een andere maatschappij, Stoomtram Walcheren, verzorgde lijnen naar het Vlissingse station en naar Koudekerke en Domburg. In deze eerste jaren van de twintigste eeuw waren de meeste trammaatschappijen in Nederland en België al volop bezig met het voorbereiden van de overstap naar elektriciteit, dus de vraag van de ICGA kwam niet uit de lucht vallen. De voorwaarden die de Engelsen stelden waren echter zo onvoordelig dat de tramdirectie aan de gemeente liet weten er niet op te willen ingaan en dat ze zelf een kleine centrale wilden bouwen. Het stadsbestuur liet daarop aan de ICGA weten dat ze wel verder wilde praten, maar dat de trammaatschappij niet meedeed en dat ze hun voorstel moesten richten op particulier gebruik. Ook grootafnemer De Schelde zou geen klant worden omdat die voor hun toenemende voorraad elektromotoren de energie opwekten in een eigen centrale. Dat bleek voor de Engelsen niet bespreekbaar. Veel bedrijven kozen in die tijd voor een dergelijke oplossing. Zo was het nieuwe station bij de haven al bij de oplevering in 1894 uitgerust met elektrische verlichting uit een kleine centrale op het complex zelf. De ICGA liet weten dat alleen de gemeentelijke en particuliere afname van elektriciteit, een nieuwe fabriek en een leidingennetwerk niet rendabel zou kunnen maken.

Lang zou deze situatie niet duren. De gemeente schreef begin 1909 toch een aanbesteding uit omdat zij veel mogelijkheden zag in elektriciteit voor de verdere ontwikkeling en modernisering van de stad. Daarop kwam maar één reactie: van de stoomtramdirectie. Zij wilden stroom gaan leveren op voorwaarde dat ze ook een concessie kregen voor de exploitatie van een elektrische tram. Dit voorstel zou het wel halen en in 1909 werd een contract afgesloten waarin het Belgische bedrijf, dat inmiddels eigendom was van de Rotterdamsche Electrische Tramweg Maatschappij, zich vastlegde om een centrale te bouwen, een kabelnetwerk aan te leggen, de stad van elektriciteit te voorzien en het aantal tramlijnen in de stad uit te breiden. In ruil daarvoor mocht de firma de tram exploiteren en uiteraard geld verdienen aan het leveren van elektriciteit. De prijs werd vastgesteld op 25 cent per Kilowattuur voor licht en 15 cent voor kracht. In een ingezonden brief in de Vlissingsche Courant van 26 december 1909 legde de nieuwe energieleverancier uit wat de kosten zouden worden voor een woonhuis met vier lampen: in de gang, in de keuken en twee in de huiskamer. Wanneer deze samen 1.500 uur per jaar zouden branden, moest de eigenaar in totaal 65 gulden betalen.

De centrale die de stroom moest gaan opwekken werd gevestigd aan de Koningsweg en was in 1910 gebruiksklaar. In de eerste jaren werd vooral stroom gemaakt voor eigen gebruik van de tramexploitant. Tegen het einde van de jaren tien kwamen er steeds meer particulieren als afnemer en gingen ook bedrijven stroom afnemen. De Schelde was hier niet bij omdat die nog steeds gebruik maakte van de eigen centrale. Dit zou zo blijven tot 1930 toen de scheepswerf besloot om stroom af te nemen van de PZEM, zoals de elektriciteitsfabriek inmiddels heette.

Opmerkelijk was in 1909 en 1910 de rol die wethouder Jacobus van Niftrik Jr. speelde in de totstandkoming van de centrale. Net als de voormalig burgemeester Arie Smit combineerde hij een publieke functie met een leidinggevende baan in het bedrijfsleven. Hij werd wethouder in 1902, maar was al vanaf 1889 directeur van de gasfabriek en had dus grote belangen bij het leveren van gas aan Vlissingen en, in de nabije toekomst, elektriciteit. Hij moet ongetwijfeld teleurgesteld zijn geweest dat de directie in Londen besloot om niet in Vlissingen te investeren zolang de trammaatschappij en De Schelde niet meededen en zal de nodige bedenkingen hebben gehad bij het verlenen van toestemming aan de concurrent om een centrale te bouwen. Dat het toch gebeurde tekent de waarde die van Niftrik heeft gehad voor de modernisering van Vlissingen in het begin van de twintigste eeuw. Hij was verantwoordelijk voor de bouw van het villapark, van honderden arbeiderswoningen en voor het dempen van de drie oude havens waardoor het Bellamypark en de Spuistraat konden ontstaan. Van Niftrik heeft ook veel gedaan voor de ontwikkeling van het toerisme. Hij verbond de badplaats met de stad door de aanleg van de Badhuisstraat, liet de Leeuwentrappen bouwen en zorgde voor toeristische trekpleisters op de boulevard, zoals de muziektent. Zijn keuze voor de trammaatschappij als leverancier van elektriciteit waarbij zijn eigen bedrijf sterk in het nadeel zou geraken, paste volledig in dit profiel. Toch bleef hij nog tot 1924 directeur van de gasfabriek die onder zijn leiding al die jaren goed bleef presteren. Waarschijnlijk had Van Niftrik al vroeg voorzien in welke richting de energiebehoefte van particulieren en bedrijven zich zou ontwikkelen. Het bevoordelen van de gasfabriek zou in deze toekomstvisie een zinloze exercitie zijn geweest die vroeg of laat toch zou eindigen. Door deze opstelling behield de gasfabriek van Van Niftrik de goodwill van de gemeente en haar monopolie in een groeimarkt omdat er steeds meer werd gekookt en verwarmd met gas. Tevens groeide de reputatie van de wethouder als een man van gezag, invloed en een zekere onkreukbaarheid. En daarmee kon de stad haar voordeel doen.

ƒ 1,40 voor twintig woorden
De aanleg van het elektriciteitsnet in de jaren tien van de twintigste eeuw was het laatste van de vijf ondergrondse nutsvoorzieningen. Naast elektriciteit en gas waren dat de kabels ten behoeve van telegrafische en telefonische diensten, de leidingen voor de levering van water en natuurlijk de buizen voor het afvoeren van riool- en regenwater.

Vlissingen kreeg al op 14 oktober 1854 een eigen telegraafkantoor. De stad had in de honderd jaar daarvoor een belangrijke rol gespeeld in de zogenaamde optische telegrafie en maakte onderdeel uit van verschillende lijnen die grote steden als Parijs, Antwerpen en Amsterdam met elkaar verbond. De stations stonden op een paar kilometer afstand van elkaar omdat de seinen, die eerst uit vlaggen bestonden en later uit combinaties van verschillende standen van de seinpaalarmen, met het oog waarneembaar moesten zijn voor de medewerkers van het volgende station. De elektrische telegraaf maakte deze omslachtige vorm van berichtenverkeer overbodig maar vereiste wel een netwerk van koperen leidingen dat in de beginjaren vooral bovengronds werd aangelegd. In de jaren veertig werd dit opgepakt door particuliere maatschappijen. Het eerste kabinet Thorbecke was echter van mening dat Nederland te klein was voor verschillende netwerken en regelde in de Telegraafwet van 1852 dat er een Rijksdienst moest komen. Vlissingen was in 1854 een van de eerste steden die een aansluiting kreeg. Omdat het nieuwe medium nog onbekend was en door velen als nieuwlichterij werd gezien, was het gebruik in de beginjaren zeer laag, hetgeen van invloed was op de kosten per telegram. Zo moest voor een bericht van twintig woorden naar Antwerpen, één gulden en veertig cent worden betaald. Naar Groningen was dat één gulden en vijftig cent. Met het stijgen van het gebruik daalden de kosten. Werden er in 1855, het eerste volle jaar, nog geen 1.000 berichten verstuurd, in 1870 waren dit er al meer dan 25.000. De kosten daalden in diezelfde periode met 80 procent. Vanaf 1856 was het kantoor de hele dag onafgebroken geopend. In oktober 1869 verhuisde het naar de Houtkade. In dat gebouw, op de hoek van de Onderstraat, werd ook het postkantoor gevestigd.

Voor de introductie van de telefoon in Nederland in 1881 was weinig nieuwe infrastructuur nodig: men kon gebruik maken van het telegrafienetwerk. De eerste aansluitingen vonden plaats in Amsterdam waar 49 abonnees over een toestel en een lijn konden beschikken. Wie geen aansluiting had, kon bellen vanuit het telegraafkantoor of het bericht op papier thuis laten bezorgen. Telefoontjes werden in deze tijd vooral gezien als een bijzondere vorm van telegrafie: het toestel stond in het telegraafkantoor, een medewerker nam de hoorn op, luisterde, noteerde het gesprek en liet de schriftelijke versie van de boodschap per bode bij de ontvanger brengen. De eerste aansluiting in Vlissingen werd in maart 1883 gerealiseerd op het hoofdkantoor van De Schelde. Op 13 juni van dat jaar kreeg Vlissingen haar eerste aansluitingen. Er werd door de in Amsterdam gevestigde Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij een centrale geplaatst in de portierswoning van De Schelde. Er konden tien lijnen worden aangesloten, maar vooralsnog behoefden er maar vier nummers te worden uitgegeven. Nummer 1 was voor de woning van de directeur van De Schelde, de heer J. van Raalte. Burgemeester Arie Smit kreeg nummer 2, het Havenkantoor nummer 3 en het hoofdkantoor van De Schelde nummer 4. Het toestel, een zogenaamde Bell-Blake, werd geleverd door de telefoonmaatschappij. Het bestond uit drie delen: het scheltoestel, de microfoon en de handtelefoon. De voeding bestond uit een batterij. Het bellen ging als volgt. Wanneer nummer 1 wilde spreken met nummer 3, moest hij eerst contact opnemen met de centrale. Deze moest twee stoppen plaatsen om 1 met 3 in verbinding te brengen en vervolgens het woord “voorwaarts” uitspreken. De beller van toestel 1 moest vervolgens toestel 3 bellen en wanneer deze opnam kon het gesprek beginnen. Wanneer het gesprek klaar was, drukte een van beide bellers op de knop onder het scheltoestel om de portier te waarschuwen. Deze kon de stoppen dan weer verwijderen.

Het aantal aansluitingen in Vlissingen groeide langzaam. Rond 1900 waren er ongeveer honderd waarmee jaarlijks in totaal zo’n 20.000 gesprekken werden gevoerd. In 1920 werd het driehonderdste toestel aangesloten en in 1924 het vierhonderdste. De bekabeling van telegraaf en telefoon gebeurde tot de jaren twintig voor het grootste deel nog bovengronds. In 1904 werd de eerste ondergrondse kabel aangelegd tussen Amsterdam en Haarlem. Vanaf 1920, toen steeds meer Nederlanders een aansluiting kregen, kwam de snelheid erin en werden de kabels grotendeels onder de grond gelegd. In 1922 kwam de verbinding met Engeland tot stand dankzij een kabel die op de bodem van de Noordzee terecht kwam.

ƒ 0,01 per 15 liter
Met de waterleiding- en de rioleringsbuizen was dat anders. Die werden meteen onder de grond gelegd. In tegenstelling tot gas, elektriciteit, telegrafie en telefonie waren dit twee nutsvoorzieningen die al sinds mensenheugenis gratis voor handen waren: drinkwater in Zeeland was vooral regen- of grondwater en als riolering deden kanalen, grachten, havens en stroompjes dienst. De meeste grote ziekte-epidemieën van de voorafgaande eeuwen vonden hier hun wortels. Toen er in de loop van de negentiende eeuw een wetenschappelijk onderbouwd besef ontstond dat water en gezondheid alles met elkaar te maken hadden, werden er in de meeste steden gezondheidscommissies opgericht die met voorstellen moesten komen voor maatregelen, uiteenlopend van gezondheidsvoorzieningen tot de aanleg van waterleiding en riolering. In Vlissingen was al in 1860 een commissie actief die zich bezighield met de kwaliteit van voedingsproducten en met bijvoorbeeld de aanwezigheid van mest- en beerputten in de open ruimte. Erg actief was deze commissie niet. Het jaaroverzicht van de gemeente Vlissingen vermeldde bij herhaling: “… van de gezondheidscommissie kwam even als ten vorige jaren geen verslag …”. Nu dient wel te worden opgemerkt dat er in Vlissingen al vanaf het begin van de negentiende eeuw een ondergronds riool aanwezig was. In 1822 was er in het gemeentehuis een bijeenkomst voor aannemers die geïnteresseerd waren in de aanbesteding voor de uitbreiding van het hoofdriool in de Oranjestraat. Dat was er dus al vóór 1822. Vlissingen onderscheidde zich hiermee van de meeste andere Nederlandse steden. Dat was merkwaardig omdat de stad juist in deze periode een van de meest berooide en armoedige steden van het land was. Naar alle waarschijnlijkheid had de aanleg van het riool onderdeel uitgemaakt van de werkzaamheden die de Fransen tussen 1895 en 1813 hebben uitgevoerd in het kader van de vestingwerken. Omdat de stad overvol was door de aanwezigheid van duizenden soldaten, moesten er dagelijks enorme hoeveelheden afval en rioolwater worden weggewerkt.

Nu moeten we ons niet teveel voorstellen van dit soort vroege rioolstelsels. De gangen waren gemaakt van gemetselde of gestapelde bakstenen en werden zelden geglazuurd waardoor ze poreus waren. Ook de doorstroming was een probleem omdat er in Nederland en zeker in Vlissingen, geen hoogteverschil was. De vuiligheid werd weggespoeld door andere vuiligheid en in het gunstigste geval een flinke regenbui. Op veel plaatsen zaten er waarschijnlijk gaten in de gangen en waren de straten verzakt waardoor er open riolen ontstonden. De lozingen kwamen uiteindelijk terecht in de Westerschelde. In de loop van de negentiende eeuw werd het stelsel in Vlissingen aanzienlijk uitgebreid en aangepast aan nieuwe inzichten en technieken. Gezondheid en hygiëne gingen een steeds grotere rol spelen en de verschillende stadsbesturen zagen het als hun verantwoordelijkheid om de openbare voorzieningen in de stad hieraan aan te passen. In 1893 werd er een nieuwe gezondheidscommissie geïnstalleerd waarvan de resultaten wel met grote regelmaat ter sprake kwamen in de gemeenteraad en in de plaatselijke pers.

Ook met de komst van een goede drinkwatervoorziening had de Vlissingse gezondheidscommissie van de jaren tachtig weinig bemoeienis gehad. En dat terwijl er op het gebied van goed drinkwater nog helemaal niets was ondernomen. De waterput en de regenton waren de voornaamste bronnen en wanneer er een tekort was had de gemeente een reserve, omdat ook het regenwater van de daken van overheidsgebouwen netjes werd opgevangen. In tijden van droogte kon de bevolking op centrale punten een of twee emmers water komen ophalen.

De enige reden waarom er op het eind van de jaren zeventig toch een moderne drinkwatervoorziening kwam in Vlissingen was een commerciële. Vlissingen had in 1875, acht jaar nadat de landelijke overheid de Marinewerf weghaalde en daarmee de stad in diepe armoede dompelde, door drie gebeurtenissen ineens weer uitzicht op een nieuwe bloeiperiode: (1) de stad werd aangesloten op het nationale en internationale spoorwegnetwerk, (2) de Stoomvaart Maatschappij Zeeland (SMZ) had definitief gekozen voor Vlissingen als thuishaven van de mailboten naar Engeland en (3) op het terrein van de Marinewerf was een nieuwe particuliere scheepswerf opgericht door de familie Smit, scheepsbouwers te Kinderdijk: de N.V. Maatschappij De Schelde. In de haven ontbraken nog een paar belangrijke functies zoals een droogdok, grote loskranen en de aanwezigheid van een voorraad zoet water ten behoeve van de stoomturbines en de drinkwatervoorziening op de schepen. In de scheepvaart was de overgang van wind naar stoom in volle gang en alle havens die de blik richtten op de toekomst, zorgden voor een goede zoetwatervoorziening.

In Vlissingen werd daarom in 1874 een commissie benoemd die moest gaan onderzoeken welke methode de grootste hoeveelheden zoet water zou kunnen opleveren tegen de minste kosten. Vlissingen werkte samen met Middelburg omdat men had bedacht dat de twee steden niet ieder voor zich een systeem behoefden uit te denken en te installeren. De commissie, onder leiding van ingenieur G. van Diesen, onderzocht drie mogelijkheden: (1) de aanvoer van duinwater, (2) de opvang van regenwater en (3) het distilleren van zeewater. Ze had ook berekend wat de totale behoefte zou zijn in de komende tien jaar: voor de schepen zou 15.000 kubieke meter nodig zijn, voor de treinen 40.000 en voor de bewoners 190.000, in totaal 245.000 per jaar. Voor Vlissingen alleen werd gerekend op 150.000 kubieke meter. Het onderzoek naar de mogelijkheden van duinwater liep al snel spaak. De duinen in het noorden van Walcheren konden genoeg opleveren, maar lagen te ver weg en de duinen bij Vlissingen waren te smal en bevatten geen dalen, pannen of laagten. Het water kon wel worden gebruikt maar was lang niet genoeg om de behoefte te dekken. Bovendien zouden de kosten te hoog worden omdat het moest worden aangevuld uit andere bronnen. Het zelfde gold ook voor het gebruik van regenwater: de ingeschatte hoeveelheden waren bij lange na niet genoeg. Bovendien was de afhankelijkheid van de weersomstandigheden te groot: in perioden van droogte konden er grote tekorten ontstaan en dat zou ten koste gaan van de schepen in de haven van Vlissingen.

Bleef over de aanschaf van distilleerketels. Op 5 mei 1875 mocht de commissie Van Diesen een bezoek brengen aan London om te kijken hoe tevreden men daar was over het distilleertoestel van dr. Normandy, welke de kosten waren en hoeveel zoet water er kon worden geproduceerd. De commissie werkte snel, maakte een keurige begroting waaruit bleek dat dit verreweg de beste en meest bedrijfszekere oplossing was en bereidde een voorstel voor dat op 30 september door de gemeenteraad werd aangenomen. Er zou één toestel worden aangeschaft dat, inclusief gebouw, 44.000 gulden zou gaan kosten. De exploitatiekosten bedroegen 4.000 gulden per jaar maar de opbrengsten zouden die ruimschoots kunnen dekken. Voor een kubieke meter water werd twee gulden gerekend. Dat bedrag was afhankelijk van de vraag: hoe meer water er kon worden geproduceerd, hoe lager de prijs. Het toestel werkte op kolen en kon per etmaal 27 kubieke meter water produceren, inclusief de uren die nodig waren voor onderhoud. Per jaar was dat een kleine 10.000 kubieke meter, lang niet genoeg om in de waterbehoefte van Vlissingen te kunnen voorzien. Overigens bleken de verwachtingen van de vraag naar water bij lange na niet uit te komen zodat de opbrengsten van het toestel, aangevuld met regenwater, min of meer konden voldoen aan de vraag. Er was in ieder geval wat meer bedrijfszekerheid gekomen omdat het distillatieproces altijd werkte, of het nu regende of niet.

Deze situatie zou niet lang duren. De behoefte aan zoet water steeg, niet in de laatste plaats omdat de bevolking groeide: in 1880 werd het aantal van 10.000 inwoners weer overschreden. In 1881 verleende het gemeentebestuur dan ook alsnog een concessie aan een particulier initiatief van de Utrechtse ingenieur J.L. Gruber, om duinwater te winnen in het gebied tussen Vlissingen en Zoutelande. Deze ging in de jaren daarna op zoek naar kapitaal om zijn project ook daadwerkelijk te kunnen realiseren, maar slaagde daar niet in. De concessie werd overgenomen door de Arnhemse ondernemer A.H.J. Diemont van Dathar. De gemeenteraad van Vlissingen ging in april 1883 akkoord met de transactie op voorwaarde dat de gemeente, de havens, de bedrijven en de burgers verzekerd zouden zijn van een permanente aanvoer van water en dat de prijs niet hoger zou zijn dan één cent per 15 liter. Op 26 januari 1884 werd de waterleiding officieel in gebruik genomen. Er waren toen nog geen leidingen naar de woningen: het water moest worden opgehaald bij een uitgiftepunt. In de loop van de jaren tachtig en negentig zouden die aansluitingen er wel komen. Net als bij de gastoevoer was dit een particuliere beslissing van de bewoner van een pand: het kostte geld en werd dus als luxeproduct gezien. In 1894 werd een watertoren gebouwd om voldoende voorraad te hebben en om de druk op de leidingen te kunnen houden. In de loop van twintigste eeuw zou het leidingennet beter worden, zich verder uitbreiden en toegankelijk worden voor alle inwoners van de stad.

De komst van een goede drinkwatervoorziening heeft Vlissingen geen grote commerciële voordelen gebracht. De stad groeide wel, omdat de werkgelegenheid was toegenomen, er dagelijks twee schepen van de SMZ in de haven kwamen en op de terreinen van de werf de schoorstenen weer rookten, de echte vooruitgang had moeten komen van het aantal aan- en afvaarten in de havens en dat ging tussen 1876 en 1888 juist achteruit. In dat eerste jaar waren er 93 inklaringen en 118 uitklaringen. Twaalf jaar later waren dat er 79 en 73. In de gemeenteraad kwam men al snel tot de conclusie dat er meer moest gebeuren om dit te veranderen. Natuurlijk was er de sterk toegenomen concurrentie van Rotterdam, maar ook Vlissingen zelf had veel steken laten vallen. Men wees onder andere op de afwezigheid van een droogdok ten behoeve van reparatiewerkzaamheden en het ontbreken van loskranen die ook de grotere schepen konden laden en lossen.

De voordelen van de drinkwatervoorziening lagen op een ander vlak, net als die van de gasaanvoer, de elektrificatie van de stad, de verbetering en uitbreiding van de riolen en de komst van de telegraaf en de telefoon. Het maakte van Vlissingen een moderne woon- en werkstad waar het goed toeven was voor de eigen bevolking en voor de gasten van buitenaf die in toenemende mate de stad en de badplaats kwamen bezoeken. Vlissingen was klaar voor de twintigste eeuw en zou dankzij een reeks van uitmuntende bestuurders in de eerste veertig jaar van die eeuw wel volop de kansen gaan pakken. Bovengronds nu.