Jacobus Bellamy en Betje Wolff als Oranje-haters: Verrader! monster! vloek der aarde!

Silhouetportretten van de dichter
Jacobus Bellamy en zijn vrouw
(Bron: ets uit ca. 1786 van Daniël
Veelwaard  en Willem Antony
Ockerse, Rijksmuseum, Amsterdam)
De politiek in de Zeven Verenigde Nederlanden in de tweede helft van de achttiende eeuw werd beheerst door de conflicten tussen aanhangers en tegenstanders van stadhouder Willem V: de Orangisten en de Patriotten. Dat beperkte zich niet tot het gesproken woord. In tegendeel, regelmatig was er over en weer sprake van fysiek geweld en aanslagen op elkaars woonhuizen, bedrijven en kantoren. In de geschiedenisboekjes van de negentiende en twintigste eeuw lezen we dat de Orangisten tot het goede kamp behoorden en de patriotten tot het slechte. Oppervlakkig bezien valt daar wel wat voor te zeggen omdat gedurende de Franse tijd, van 1795 tot en met 1813, de eerste groep was verboden door de tweede, die bovendien collaboreerde met de bezetters. Het waren de helden tegen de onderkruipers, de vaderlandslievenden tegen de landsverraders. De werkelijkheid lag genuanceerder.

Neem nu de twee grote literaire helden uit het Vlissingen van de achttiende eeuw: Jacobus Bellamy en Betje Wolff, tegenwoordig gezien als behorend tot de top vijf van de grootste Nederlandstalige schrijvers uit de achttiende eeuw, naast Belle van Zuylen, Justus van Effen en Rhijnvis Feith. Beide waren ze met volle overtuiging patriot. Beide schreven ze hierover, soms ingehouden en cryptisch, soms recht voor z’n raap en met een taalgebruik waarvan zelfs de huidige generatie internet-reaguurders het schaamrood op de kaken zou krijgen. Zo schreef Bellamy onder het pseudoniem Zelandus in 1781 het gedicht Aan eenen Verrader des Vaderlands, een verwijzing naar de toenmalige stadhouder Willem V. Wat denkt u van passages als:
't Was nagt, toen u uw moeder baarde,
Een nagt, zoo zwart als immer was;
(…)
Verrader! monster! vloek der aarde! 
Vernedrend schepsel der Natuur!
(…)
Hij zal zijn Vaderland verraden!
De Vrijheid trappen op de borst!

Het tijdschrift Post van den Neder-Rhijn waarin Bellamy dit gezagsondermijnende gedicht publiceerde, werd naar aanleiding van deze publicatie verboden. De redactie wachtte een gerechtelijke vervolging maar Bellamy zelf werd met rust gelaten. Mogelijk wisten de autoriteiten niet wie de werkelijke schrijver was. Later zou hij nog veel soortgelijke gedichten schrijven die uiteindelijk terecht kwamen in de bundel Vaderlandsche gezangen van Zelandus uit 1785. Zijn stadgenoot Betje Wolff schreef wat gematigder en meer raadselachtig, maar was in woord en geschrift de zaak van de patriotten zo toegedaan dat zij na de mislukte staatsgreep tegen stadhouder Willem V in 1787 besloot om met haar vriendin Aagje Deken naar Frankrijk te vertrekken, tegelijk met enkele honderden andere prominente tegenstanders van de Oranjes. In de eerste jaren na 1787 werden veel patriotten voor het gerecht gesleept en veroordeeld tot lange gevangenisstraffen of verbanning. In 1797, toen Willem V al drie jaar als banneling in Engeland verbleef en de Fransen heer en meester waren in de Republiek, keerden de twee vriendinnen terug. Of ze de staatsvorm van hun dromen aantroffen is nog maar de vraag. We weten dat de idealistische en vaderlandslievende Nederlandse patriotten in 1795 de Fransen met gejuich hadden ingehaald, maar ook dat het beloofde paradijs van vrijheid, gelijkheid en broederschap er nooit is gekomen. De Franse kruistocht door Europa bleek niets meer en niets minder te zijn dan een met geweld en onderdrukking ondersteunde poging een wereldrijk te vestigen onder Frans gezag.

Een bijzonder cultureel klimaat
Terug naar Vlissingen en het patriottisme van Bellamy en Wolff. Het is interessant om te onderzoeken in hoeverre het gedachtegoed van de twee op zich zelf stond of juist voortkwam uit het politieke en culturele klimaat in de stad die we toe nu toe vooral hebben leren kennen als een Oranjegezinde gemeenschap van kleine ondernemers, zeelieden en onderklassen. Vooral de laatste groep was in aantal enorm toegenomen omdat de economie van Vlissingen zich in zwaar weer bevond. Dat was zo in de hele Republiek maar kwam in steden als Vlissingen, waar weinig variatie was in economische activiteit, extra hard aan. Zelfs in de belangrijkste bezigheden van de Vlissingers, de kaapvaart en de illegale slavenhandel, was weinig brood meer te verdienen. In de eerste omdat er nauwelijks oorlogen waren geweest en in de tweede omdat er van overheidswege steeds strenger werd opgetreden tegen het buiten de officiële regels om vervoeren van slaven van Afrika naar Amerika. Het gevolg was dat de mensen die wat in hun mars hadden, naar elders vertrokken en dat de stad bleef zitten met grote groepen werklozen en arbeidsongeschikten.

Het wonderlijke was dat er, met dit sombere decor op de achtergrond, vanaf 1740 een cultureel klimaat ontstond dat landelijk de aandacht trok. En dat kwam niet alleen door Bellamy en Wolff. Integendeel, de twee schrijvers kwamen voort uit dit klimaat en waren er niet de veroorzakers van. De echte grondleggers waren de leden van een vrij omvangrijke en hechte groep reders, schepenen, predikanten, artsen en juristen, die met elkaar culturele activiteiten ontplooiden. Er moet een sterke en stimulerende samenhang zijn geweest tussen de personen die deel uitmaakten van deze groep en het was vooral deze coherentie die ervoor zorgde dat er een cultureel klimaat kon ontstaan waarbij zelfs het veel grotere, voornamere en rijkere Middelburg volledig het nakijken had. Tussen 1739 en 1765 werden er maar liefst vier leesgezelschappen opgericht: de Klimmende Leeuwerik (1739), het Taal- en Dichtlievend Kunstgenootschap(1753), het Nederduitsche Leesgezelschap (1764) en het Fransche Leesgezelschap (1765). De belangrijkste initiatiefnemer was steeds Jean Guépin. De groep rondom deze reder, die ook schepen was, stond tevens aan de basis van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, dat werd opgericht in 1769, een gebeurtenis die in het licht van de Vlissingse geschiedenis misschien wel de meest bijzondere is geweest van de hele achttiende eeuw.  De initiatiefnemer van het Genootschap was de predikant van de Engelse kerk in Vlissingen, Justus Tjeenk, die in 1765 in Vlissingen was benoemd. Hij gaf het nieuwe genootschap vorm naar het voorbeeld van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in Haarlem, opgericht in 1852 en daarmee de eerste in Nederland. Het Zeeuwsch Genootschap in Vlissingen werd een goede tweede en dat was ook te zien aan de samenstelling van het bestuur, de directie en het ledenbestand: meer dan de helft was afkomstig uit provincies buiten Zeeland. Daarnaast kwamen er maar liefst 30 leden uit het buitenland: de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk, Duitsland, Zweden, Rusland en Schotland. Het voorname karakter van het genootschap werd verder versterkt nadat Stadhouder Willem V zich bereid had getoond om als beschermheer op te treden en een enkele keer zelfs op bezoek te komen. Niet voor niets luidde de zinspreuk van het Genootschap: Non sordent in undis (Zij staan in hoog aanzien). De bijeenkomsten werden aanvankelijk in het stadhuis gehouden, maar verhuisden later naar het Groote Heerenlogement in de Hellebaardierstraat. In 1791 kocht men zelfs een eigen pand aan de Oostzijde, dat we tegenwoordig kennen als de oostelijke kant van het Bellamypark. En zo kon het gebeuren dat Vlissingen tussen 1769 en 1794 kon uitgroeien tot een nationaal centrum van deskundigen, wetenschappers en denkers. Het Genootschap gaf een tijdschrift uit waarin de leden verplicht waren om eens in de zes jaar een artikel te publiceren, organiseerde lezingen en schreef prijsvragen uit onder de Zeeuwse bevolking waarin oplossingen werden gevraagd voor maatschappelijke problemen op het gebied van landbouw, nijverheid, strafrecht en religie. Na 1769 werden er in het hele land meer genootschappen zoals die in Haarlem en Vlissingen opgericht. Het geloof dat de wetenschap veel maatschappelijke problemen kon helpen oplossen was onder invloed van de Verlichting sterk toegenomen, ook in de Republiek en in mindere mate in Zeeland, waar de bevindelijke richtingen binnen het calvinisme nog op grote schaal de wet voorschreven. Wetenschap bedrijven was prima, zolang er maar niet werd getornd aan de leer van de predestinatie die bepaalde dat het lot van ieder mens bij de geboorte door God was bepaald. Op de bijeenkomsten van het Zeeuwsch Genootschap werd hierover openlijk gediscussieerd, een voor die tijd al behoorlijk progressieve bezigheid. Dat bleek bijvoorbeeld uit de strijd die in 1778 uitbrak rondom het invoeren van de nieuwe psalmberijming en -zangwijze waarbij het Genootschap steeds duidelijk koos voor modernisering. Dat bleek ook uit het royement in hetzelfde jaar van de oprichter van het genootschap, Justus Tjeenk, die zich aansloot bij het vanuit streng calvinistische hoek georganiseerde verzet tegen de bouw van een rooms-katholieke kerk in Vlissingen, noodzakelijk geworden omdat er vanuit Duinkerken een groep kooplieden in Vlissingen was neergestreken die zich er wilden vestigen.

Het Genootschap groeide en bloeide in die eerste jaren. In 1784 werd een onderafdeling opgericht in Middelburg. Dit departement moest volledig rekenschap afleggen aan de hoofdvestiging in Vlissingen. Het is opmerkelijk dat de buurstad het al die tijd hierbij had laten zitten. Er was in Middelburg veel meer intellect, macht en rijkdom aanwezig dan in Vlissingen het geval was en men moet zich toch regelmatig in de arm hebben geknepen met de vraag hoe het ooit zover heeft kunnen komen. Dat het Genootschap in de negentiende eeuw uiteindelijk toch in Middelburg terechtkwam, dankte de stad aan de Fransen die Vlissingen volledig zouden uitmelken met als gevolg dat de eerste vijftien jaren van de achttiende eeuw voor de Scheldestad de waarschijnlijk meest deplorabele aller tijden werden.

Orangisten en patriotten in Vlissingen 
In hoeverre heeft nu de achttiende-eeuwse culturele opleving in Vlissingen, veroorzaakt door de groep cultuur- en wetenschapliefhebbers rond Jean Guépin en later Justus Tjeenk, invloed gehad op de politieke keuzes die onze twee helden Jacobus Bellamy en Betje Wolff maakten tijdens hun carrière als schrijver? Maar ook: was er tussen de stedelijke culturele elite en de politiek in deze periode sowieso al een verband? Het stellen van deze laatste vraag is het beantwoorden ervan: natuurlijk hadden die twee iets met elkaar te maken. De ledenbestanden van de vier leesgezelschappen en later het Zeeuwsch Genootschap telden steeds een ruime hoeveelheid stadsbestuurders. Het genootschap mocht daarnaast voor haar vergaderingen gratis het gemeentehuis gebruiken en kreeg bovendien vrijstelling van gemeentelijke belastingen. Mogelijk heeft dit ook al gegolden voor de leesgezelschappen. De vraag is nu of het stadbestuur de patriotten of de orangisten steunde. Maar ook of de officiële stadsstandpunten werden overgenomen en uitgedragen door de belangrijkste mannen van het Genootschap.

De politieke situatie was ingewikkeld in die jaren. Het huis van Oranje had al lang niet meer de onvoorwaardelijke steun van de Vlissingers. Het was lang geleden dat de stad iets had gemerkt van de voordelen van het markizaatschap zoals de handelsvoordelen en havenuitbreidingen die Vlissingen onder Willem van Oranje, Maurits en Willem III had gekregen. Na de dood van Willem III in 1704 trad het tweede stadhouderloze tijdperk in en was er sowieso geen sprake van een Oranje die iets voor Vlissingen kon betekenen. Tussen 1732 en 1747 dreigde het markizaatschap van Vlissingen via overerving in handen te komen van nota bene de koning van Pruisen, Frederik I. De conflicten die daarover ontstonden tussen verschillende groepen erfgenamen van Willem III, leidden er in 1732 toe dat de achterachterneef van Willem III, Willem Karel Hendrik Friso, markies van Vlissingen werd en dat de Staten van Zeeland naar aanleiding hiervan besloten om dit niet te aanvaarden en het hele markizaat maar op te heffen. Aan deze situatie kwam in 1747 een eind toen dezelfde achterachterneef door de Staten-Generaal gevraagd werd om stadhouder te worden en zich Willem IV mocht noemen. De Republiek had in de Oostenrijkse successieoorlog de kant gekozen van Oostenrijk. De tegenpartij in deze oorlog, Frankrijk, was vervolgens de Republiek binnengedrongen en bedreigde haar voortbestaan. De verwachting was dat het herstel van het stadhouderschap voor de Oranjes, de oorlog een gunstige draai zou kunnen geven in het voordeel van de Republiek. Hoewel die strategie niet helemaal uitkwam, werd er al in 1748 vrede gesloten, waarna de Fransen zich terugtrokken en de Republiek was gered. De nieuwe stadhouder werd op 5 Juni 1751 als markies van Vlissingen ingehuldigd maar overleed een paar maanden later. Hij werd in 1766 opgevolgd door zijn zoon Willem V die toen meerderjarig werd. Tussen 1751 en 1766 was er dus feitelijk weer sprake van een stadhouderloos en voor Vlissingen markiesloos tijdperk.

Hoewel de nieuwe Oranjetelg in 1766 met veel aplomb werd ingehuldigd in Vlissingen was de stad ook in die jaren geen oranjebolwerk. Integendeel, het Vlissingse stadbestuur stond te boek als patriottisch. Dat had, zoals we al zagen, te maken met het simpele feit dat er het grootste deel van de achttiende eeuw geen markies was geweest en met het ontbreken van enig voordeel van het markizaatschap. Daarnaast oefende Willem V naar de zin van het stadsbestuur te veel invloed uit op de lokale politiek, daarbij gebruik makend van zijn status als markies, maar ook als Eerste Edele in de Staten van Zeeland.

Klassenstrijd
Er was nog een reden waarom de elite in Vlissingen weinig op had met de stadhouder. De strijd tussen de patriotten en de orangisten was in wezen ook een klassenstrijd waarbij het gewone volk, het gepeupel zo u wilt, voor een belangrijk deel achter de Oranjes stond en de culturele, maar ook de politieke elite, meer neigden naar het patriottisme. Feitelijk voelde in 1747 weinig regenten er voor om het stadhouderschap te herstellen. Dat het toch gebeurde kan achteraf beoordeeld worden als een daad van paniek, omdat het land verzwolgen dreigde te worden door de Fransen en er klaarblijkelijk niemand met visie, deskundigheid en charisma beschikbaar was die het land kon leiden. Men koos overhaast voor een politiek symbool en zette een ver familielid van Willem III op de stadhouderstroon.

In Vlissingen stond omstreeks 1780 de pensionaris van Vlissingen, Nicolaas Cornelis Lambrechtsen, tevens schrijver en gepromoveerd jurist, te boek als overtuigd maar gematigd patriot, net als de meeste andere functionarissen die de stad bestuurden. De geboren Vlissinger was ook prominent lid van het Zeeuwsch Genootschap waarvan hij later, in de Franse tijd, ook voorzitter zou worden. In 1787 werd Lambrechtsen het slachtoffer van de oranjerellen die uitbraken in de stad naar aanleiding van het mislukken van de patriottische machtsgreep tegen Willem V in dat jaar. Met behulp van zijn zwager, koning Frederik II van Pruisen wist de stadhouder een eind te maken aan de revolutie waaraan in zekere zin de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog, die duurde van 1775 tot 1783, ten grondslag had gelegen. De Nederlandse gebeurtenissen vormden op hun beurt weer een voorproefje van de grote Franse revolutie van 1789. In Vlissingen was in 1787 onder het gewone volk nog voldoende sympathie aanwezig voor de Oranjes en dat leidde tot de vernieling van de huizen van vooraanstaande patriotten en tot de vlucht van een aantal regenten, onder andere Lambrechtsen, naar Middelburg. Deze legde kort daarop zijn functie als pensionaris van Vlissingen neer en ging door Europa reizen. Na 1795, toen de Fransen de macht hadden, keerde hij terug op het politieke toneel en vertegenwoordigde hij Vlissingen en Zeeland in Den Haag.

Lambrechtsen maakte deel uit van een groep vrienden die elkaar brieven schreven over wetenschappelijke, culturele en politieke onderwerpen. Een van die vrienden was leeftijdgenoot Jona Willem te Water, predikant van de hervormde gemeente in Vlissingen. Hij werd in 1776 door de Staten van Zeeland benoemd tot officiële geschiedschrijver van de provincie. Te Water, die ook nog eens in 1785 hoogleraar in Leiden werd, was orangist, maar begreep de bezwaren tegen het stadhouderschap. Hij had veel vrienden onder de patriotten en zou gedurende de Franse tijd belangrijke bestuurlijke functies vervullen.

Te Water wordt ook gezien als de ontdekker van Jacobus Bellamy en daarmee zijn we weer terug bij het onderwerp van dit artikel.

Bellamy en Wolff
Het levensverhaal van Jacobus Bellamy is genoegzaam bekend. Belangrijk voor ons verhaal is de relatie tussen Te Water en de jeugdige bakkersknecht die in zijn vrije tijd gedichten schreef. Toen Te Water de eerste dichtregels van Bellamy las, was daar al de felle patriot van later jaren in terug te vinden. Net als Betje Wolff was Bellamy bezeten van de geschiedenis van Vlissingen omstreeks 1572 en dan natuurlijk vooral van de gebeurtenissen van 6 april toen de Vlissingers eigenstandig de Spanjaarden uit de stad wisten te verdrijven. De herdenking van deze bevrijding was in 1772 uitbundig gevierd en het was Te Water die daarin een leidende rol had gespeeld. De vroege gedichten van Bellamy gingen vooral over het begrip vrijheid dat door de Vlissingers glans was gegeven. De jonge dichter adoreerde Willem van Oranje die hij als personificatie zag van de tijdloze vrijheidsstrijder. In het gedicht waarmee we dit artikel begonnen vergeleek hij de Vader des Vaderlands met diens latere opvolger stadhouder Willem V, die in zijn ogen zo diep was afgedaald in de krochten van nepotisme, corruptie en onderdrukking dat hij hem de Verrader des Vaderlands noemde. Dezelfde houding ten aanzien van de Oranjes zien we ook terug bij Betje Wolff. Klaarblijkelijk was het bonton bij de patriotten om de twee stadhouders met elkaar te vergelijken in het nadeel van de toen heersende Oranjetelg Willem V. Zowel bij Bellamy als bij Wolff was het vrijheidsideaal direct gekoppeld aan de ideeën van de Verlichting.

Te Water, een aanhanger van de stadhouder, stimuleerde Bellamy’s opvatting van het begrip vrijheid en zal ongetwijfeld niet verrast zijn geweest toen de dichter zich korte tijd later, in zijn studentenjaren, ontpopte als een felle patriot. Bellamy had al in zijn Vlissingse tijd een aantal patriottische verzen geschreven die bekend moeten zijn geweest bij de predikant. Het is niet ondenkbaar dat Te Water zelf sympathieën had in deze richting, maar dat hij ze niet durfde of wilde uiten omdat zoiets nu eenmaal niet bij zijn vak hoorde.

Toen te Water werd benoemd in Vlissingen had Elisabeth Bekker, die bijna 20 jaar ouder was dan Bellamy, de stad al verlaten vanwege haar huwelijk in 1759 met de predikant Adriaan Wolff uit De Beemster, waar zij ook ging wonen. Vanaf dat jaar kennen we haar als Betje Wolff. Zij kwam, in tegenstelling tot Bellamy, wel uit een familie met geld en aanzien. Haar vader, de makelaar Jan Bekker, behoorde tot de elite van de stad. Van hem is niet bekend of hij lid was van een van de leesgezelschappen. Wel moeten er intensieve contacten zijn geweest met de culturele en politieke elite van Vlissingen. Dat kon bijna niet anders omdat het doen van zaken nu eenmaal niet mogelijk was zonder een goed netwerk in de hogere kringen van de stad die in de tweede helft van de achttiende eeuw de patriottische idealen aanhingen. Het is dus waarschijnlijk dat Elisabeth van huis uit al het nodige gedachtegoed heeft meegekregen dat, versterkt door zelfstudie, in haar latere leven zou leiden tot het fanatieke patriottisme zoals Bellamy dat ook ten toon spreidde. Bij Betje Wolff zou dat zelfs een niet geheel vrijwillig tijdelijk verblijf in het beloofde land Frankrijk als gevolg hebben.

Wolff heeft waarschijnlijk niet juichend langs de weg gestaan toen de Fransen in 1795 Nederland binnentrokken om daar vrijheid, gelijkheid en broederschap te brengen. Ze zou pas in 1797 terugkeren naar haar vaderland, inmiddels omgedoopt tot Bataafsche Republiek, samen met haar literaire vriendin Aagje Deken met wie ze ook samenwoonde. Na dat jaar heeft ze niet veel meer gepubliceerd, behalve het tweedelige Geschrift eener bejaarde vrouw dat twee jaar voor haar dood werd uitgegeven. We weten dus niet hoe ze in de laatste jaren van haar leven precies tegen de Fransen aankeek, maar erg positief zal dat niet meer zijn geweest.

Bellamy leefde te kort om het gloriejaar mee te maken: hij overleed op 11 maart 1786, nog geen dertig jaar oud. Ook bij hem is het de vraag of hij de Fransen met gejuich zou hebben begroet, zeker wanneer hij op dat moment in Vlissingen was geweest. De stad was vrijwel direct geannexeerd en ten prooi gevallen aan de Franse willekeur. De uitleg van het begrip vrijheid van de bezetters was daarmee een totaal andere dan die van Jacobus Bellamy en van zijn stadgenote Betje Wolff.

Liefde voor Vlissingen
Patriottisch of niet, zowel Bellamy als Wolff hielden onstuimig van hun geboortestad. Beide schreven ze meerdere lofzangen op Vlissingen waarvan we er u twee niet willen onthouden. Als eerste een strofe waarin Vlissingen voorkomt, afkomstig uit een lang gedicht over het leven in De Beemster van Betje Wolff:
(…) Maar och! wat krijgt die zucht een kracht,
Bevind zich daar ons gansch Geslacht!
Gy weet, 'k liet al mijn maagschap daar;
Mijn vrolyk Vlissingen! hoe waar,
Hoe waar ik door uw straten heen,
Al ben ik hier volmaakt te vreên:
O Stad! o aangenaame Stad,
Door fiere Vrijheid hoog geschat!
O Stad, daar schrand're Zeevaardy,
Aan mijn geliefde Burgery,
In milden welvaart aandeel geeft;
Daar mijn beminde Vader leeft,
Door deugd en nutte matigheid
Het werkzaam leven doorgeleid;
En schoon hy tachtig jaaren telt,
Door pijn noch ziektens wordt gekwelt.
O Stad! 'k vergeet u nimmermeer;
Neem toe in welstand, roem en eer! (…)
(Bron: Wolff, E., Beemster-winter-buitenleven, De Rijp 1778)

Dan Bellamy. Het onderstaande gedicht Aan Vlissingen stond in zijn eerste bundel en vertelde over zijn liefde voor Vlissingen, maar ook over zijn trots op de gebeurtenissen in 1572.
Mijn Moederstad, ik wijde aan u mijn lied,
Een lied van u! - gij zult mij gunstig hooren!
Ge ontzegt die eer aan eenen dichter niet,
Uit uwen schoot geboren!
De dankbaarheid heeft zelf mijn lier besnaart,
En 't vuur der kunst in mijne borst doen gloeïen;
's Lands Vrijheid u, mijn Moederstad, zoo waard,
Doet mijne vaerzen vloeïen!
o Kindsche tijd, ik denk aan u met vreugd!
Gij leerdet mij reeds VLISSING'S grootheid kennen -
En 't speelend hart van mijne ted're jeugd
Der dapperheid gewennen!
Nog klopt mijn hart met een' verhaasten slag -
Nog gloeit mijn wang - een sidd'ring schudt mijn leden,
Wanneer ik denk aan dien beroemden dag,
Toen ge u hebt vrij gestreden! (…)
 (bron: Bellamy, J., Vaderlandsche gezangen van Zelandus, Amsterdam 1785)